| |
Landsverordening
van 19 juli 1983 tot het vaststellen van nieuwe regelen inzake een
verplichte eenmalige uitkering aan de werknemer, bij ontslag buiten
zijn toedoen, alsmede tot wijziging van het B.W.N.A.; tekst in P.B.
1983, no. 85; inwtr. m.i.v. 5 dec. 1983 (P.B. 1983, no. 125), gewijzigd
bij:
1. Lv. van 24 febr. 1986 (P.B. 1986, no. 33), inwtr. m.i.v. 28 maart
1986 en werkt terug tot en met 5 dec. 1983;
2. Lv. van 11 september 1997 (P.B. 1997, no. 237), inwtr. m.i.v.
1 okt. 1997;
3. Lv. van 15 maart 2001 (P.B. 2001, no. 24), inwtr. m.i.v. 15 maart
2001;
4. Lv. van 3 augustus 2001 (P.B. 2001, no. 80), inwtr. m.i.v. 1
dec. 2001.
Inleidende
bepalingen
Art.
1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening
wordt verstaan onder:
Minister: de Minister van Arbeid en Sociale Zaken
Bank: de Sociale Verzekeringsbank
Werkgever: de werkgevers, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk
Wetboek van de Nederlandse Antillen;
Werknemers: de arbeider, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk
Wetboek van de Nederlandse Antillen, met uitzondering van een persoon
werkzaam bij een publiekrechtelijk lichaam alsmede een beambte of
leerkracht bij het gesubsidieerd bijzonder onderwijs;
Cessantia-uitkering: de eenmalige uitkering als bedoeld in artikel
3 lid 1;
Loon: elke uitkering in welke vorm ook welke de werknemer als vergoeding
voor zijn arbeid ten laste van zijn werkgever geniet, alsook ontvangsten
van derden, welke van invloed zijn op de voorwaarden der arbeidsovereenkomst,
behalve:
- vergoeding voor het verrichten van overwerk in de zin van de Arbeidsregeling
1952 (P.B. 1058, no. 24) ;
- de toeslag op het loon ingevolge artikel 58 van de Landsverordening
Algemene Ouderdomsverzekering (P.B. 1960, no. 83) en artikel 52
van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (P.B.
1965, no. 194);
- de sociale verzekeringspremies welke ten laste van de werkgever
komen;
- vergoeding boven het normale loon voor het tijdelijk verrichten
van andere dan de normale arbeid, waartoe hij ingevolge arbeidsovereenkomst
in het bedrijf van zijn werkgever is verplicht;
- vergoeding, welke bij uitzondering wordt gegeven voor het verrichten
van een boven het normale liggende arbeidsprestatie;
Weekloon: bij een uurloon: de geldswaarde van het loon per uur vermenigvuldigd
met het aantal werkuren per week van de betrokken werknemer;
bij een dagloon: de geldswaarde van het loon per dag vermenigvuldigd
met het aantal werkdagen per week van de betrokken werknemer;
bij een maandloon: de geldswaarde van het loon per maand vermenigvuldigd
met 12 en gedeeld door 52.
Vaststelling
van het weekloon
Art.
2. 1. Werkgever en werknemer stellen bij de aanvang van het dienstverband
en telkens, wanneer het loon gewijzigd wordt, het weekloon vast
met inachtneming van het daaromtrent in artikel 1 bepaalde.
2. Indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit huisvesting,
verstrekkingen in natura, onderricht of geldelijke uitkeringen waarvan
de grootte niet bij voorbaat vaststaat zoals provisie, commissie,
tantième en fooien, bepalen werkgever en werknemer ter vaststelling
van het weekloon de gemiddelde geldswaarde daarvan.
3. Indien het aantal werkuren per week, in het geval een uurloon
wordt betaald, niet bij voorbaat vaststaat, bepalen werkgever en
werknemer ter vaststelling van het weekloon het te verwachten gemiddelde
aantal werkuren per week.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen kunnen regelen
worden vastgesteld, welke bij de bepaling van de geldswaarde van
het niet in geld genoten loon moeten worden in acht genomen.
Cessantia-uitkering
Art.
3. 1. De werknemer wiens dienstbetrekking eindigt, anders dan door
zijn schuld of tengevolge van een aan hem toe te rekenen omstandigheid,
wordt door de werkgever een eenmalige uitkering, gebaseerd op het
laatstgenoten loon, toegekend, waarvan de hoogte als volgt wordt
berekend:
- voor het eerste tot en met het tiende volle dienstjaar een weekloon
per dienstjaar;
- voor het elfde tot en met het twintigste volle dienstjaar een
en een kwart maal het weekloon per dienstjaar;
- voor de daarop volgende volle dienstjaren tweemaal het weekloon
per dienstjaar.
Voor de berekening van volle dienstjaren geldt een periode van meer
dan zes maanden na het eerste dienstjaar als een vol dienstjaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden dienstbetrekkingen
geacht eenzelfde, niet onderbroken dienstbetrekking te vormen in
de in artikel 1615k, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van
de Nederlandse Antillen genoemde gevallen.
3. Van het bepaalde in het eerste lid kan slechts ten gunste van
de werknemer worden afgeweken, terwijl van het bepaalde in het tweede
lid slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken.
4. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing indien een
werknemer bij het einde van zijn dienstbetrekking in het genot van
een pensioen of uitkering bij wijze van pensioen of ouderdomsverzorging
wordt gesteld.
5. Het bepaalde in het vierde lid vindt geen toepassing wanneer
het pensioen of de uitkering bij wijze van pensioen of ouderdomsverzorging,
dat aan de werknemer bij het einde van zijn dienstbetrekking wordt
uitgekeerd, minder bedraagt dan het dan geldende wettelijk ouderdomspensioen,
dan wel, het pensioen ingeval daarop het wettelijk ouderdoms-pensioen
geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht, minder bedraagt
dan tweemaal het bedrag van het dan geldende wettelijk ouderdomspensioen.
6. Het vorderingsrecht van de gewezen werknemer op de cessantia-uitkering
jegens de werkgever verjaart na verloop van één jaar.
Art. 4. 1. Indien geen of geen tijdige betaling geschiedt van de
cessantia-uitkering ten laste van een werkgever, die in staat van
faillissement is verklaard of aan wie surséance van
betaling is verleend, kan de werknemer jegens de Bank aanspraak
maken op de cessantia-uitkering, met dien verstande dat bij de berekening
van de door de Bank toe te kennen cessantia-uitkering het weekloon
in aanmerking genomen wordt voor zover dit niet een normbedrag overschrijdt,
gelijk aan anderhalf maal het weekloon dat wordt afgeleid uit de
dagloonbedragen zoals deze ingevolge artikel 8, tweede lid van de
Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) zijn of zullen
worden vastgesteld. Indien het normbedrag niet is een getal in gehele
guldens en deelbaar door vijf, wordt het gesteld op het naasthogere
bedrag dat aan deze voorwaarden voldoet.
2. De Bank kan beslissen dat het bepaalde in het eerste lid overeenkomstige
toepassing vindt indien een werkgever verkeert in de toestand dat
hij heeft opgehouden te betalen, terwijl hij niet of nog niet in
staat van faillissement is verklaard en hem geen of nog geen surséance
van betaling is verleend.
Art. 5. 1. De cessantia-uitkering wordt krachtens artikel 4 aan
de gewezen werknemer op zijn verzoek door de Bank toegekend, dan
wel, bij zijn overlijden, aan zijn nagelaten betrekkingen op hun
verzoek door de werkgever of krachtens artikel 4 door de Bank toegekend,
mits het verzoek binnen twaalf maanden na het einde van de dienstbetrekking
bij de werkgever onderscheidenlijk de Bank is ingediend. Met het
einde van de dienstbetrekking wordt voor de toepassing van dit artikellid
gelijkgesteld een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak
waarbij een dienstbetrekking als geëindigd wordt verklaard.
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder nagelaten betrekkingen
verstaan;
a. de langstlevende der echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de kinderen
tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar
nog niet hebben bereikt en
niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn;
c. bij ontstentenis van vorengenoemde personen, degenen ten aanzien
van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie
hij in gezinsverband
leefde, dan wel duurzaam samenwoonde;
d. bij ontstentenis van vorengenoemde personen, degenen, die de
kosten van de laatste
ziekte en van de begrafenis van de overledene hebben betaald, met
dien verstande dat hun recht op de cessantia-uitkering reikt tot
het bedrag van die kosten.
Onder de onder b bedoelde kinderen zijn mede begrepen de kinderen
tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, die
de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt, indien:
a. hun tijd, behoudens in geval van ziekte of vakantie, geheel of
grotendeels in beslag wordt
genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van beroepsopleiding;
b. zij ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat zijn om met
arbeid, die voor hun
krachten is berekend, één derde te verdienen van hetgeen
lichamelijk en geestelijk
gezonde kinderen van gelijke leeftijd en van soortgelijke bekwaamheid
in staat zijn met
arbeid te verdienen.
3. De betaalbaarstelling van de cessantia-uitkering ingevolge het
vorige lid geschiedt niet
eerder dan zes maanden na het einde van de dienstbetrekking.
4. De cessantia-uitkering, welke niet is ingevorderd binnen twee
jaren na de eerste dag,
waarop zij kon worden ingevorderd, wordt niet meer uitbetaald door
de Bank.
Uitvoeringsorgaan
Art.
6. 1. In de uitvoering van artikel 4 van deze landsverordening wordt
voorzien door de Bank middels een door haar te beheren fonds genaamd
Cessantiafonds.
2. Het Cessantiafonds bezit de hoedanigheid van rechtspersoon en
is gevestigd te Willemstad op Curacao. Het fonds is vrijgesteld
van winstbelasting.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden nader
regelen vastgesteld, betreffende het beheer en de belegging van
de gelden van het Cessantiafonds.
Art. 7. 1. De werkgever is verplicht uiterlijk in de maand juni
van ieder kalenderjaar ten behoeve van een in zijn dienst zijnde
werknemer een bijdrage aan de Bank te doen waarvan het bedrag wordt
vastgesteld bij landsbesluit houdende algemene maatregelen de Sociaal-Economische
Raad gehoord.
2. De Bank treedt voor het bedrag van de door haar betaalde cessantia-uitkering
in de rechten van de werknemer op de cessantia-uitkering jegens
de werkgever.
3. Ten laste van de Bank komen de door de Bank betaalbaar gestelde
cessantia-uitkeringen als bedoeld in artikel 4 van de landsverordening,
alsmede alle andere kosten verbonden aan de uitvoering van artikel
4 van deze landsverordening.
Art. 8. 1. De voldoening van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
bijdrage aan de Bank geschiedt middels storting op aangifte bij
de door de Bank aangewezen betaalinstellingen. De aangifte wordt
gelijktijdig met de storting van de bijdrage gedaan.
2. Indien de bijdrage geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven
tijd is voldaan, wordt de te weinig betaalde bijdrage bij wijze
van boete verhoogd met één ten honderd van het niet
voldane bedrag van de bijdrage voor elke maand of gedeelte van een
maand dat dat bedrag niet is voldaan. De werkgever is verplicht
de boete op eerste vordering van de Bank te betalen.
3. De vorderingen van de werknemer en de Bank op de werkgever tot
nakoming van diens verplichting ingevolge artikel 3, eerste lid
en artikel 7, eerste lid, alsmede het tweede lid van dit artikel
zijn bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaan boven
alle andere voorrechten met uitzondering van die ter zake van de
directe belastingen, die van de artikelen 287 en 288, onder a, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede dat van artikel 284 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de daar bedoelde kosten
zijn gemaakt na het ontstaan van de vorderingen van de werknemer
of de Bank.
Beroep
Art. 9. Tegen een beschikking van de directeur van de Bank met betrekking
tot de toekenning of betaalbaarstelling van een cessantia-uitkering
als bedoeld in artikel 4, staat voor belanghebbende binnen zes weken
na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij het Gerecht in
eerste aanleg van de Nederlandse Antillen.
Vorderingen en aansprakelijkheid
Art.
10. 1. De cessantia-uitkeringen als bedoeld in deze landsverordening,
welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag waarop
zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.
2. Ieder beding, dat de aansprakelijkheid van de werkgever ingevolge
de bepalingen van
deze landsverordening uitsluit of vermindert, is nietig.
3. Het is de werkgever verboden de voor hem uit de bepalingen van
deze landsverordening
voortvloeiende kosten geheel of gedeeltelijk te verhalen op het
loon van de werknemer.
4. De cessantia-uitkering is
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud, waartoe
de werknemer of de
gewezen werknemer volgens wettelijke regeling is gehouden, niet
vatbaar voor
executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
Volmacht tot ontvangst van een cessantia-uitkering, onder welke
vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk. Elk
beding, strijdig met enige bepaling van dit artikellid, is nietig.
Uitvoering
en toezicht
Art.
11. 1. Een ieder is verplicht ten behoeve van de uitvoering van
artikel 4 van deze landsverordening alle door de Bank verlangde
inlichtingen te verstrekken, desverlangd schriftelijk en binnen
een door de Bank te stellen redelijke termijn.
2. De werkgever, die verkeert in de toestand als vermeld in artikel
4, is verplicht bij het beëindigen en bij het eindigen van
de dienstbetrekking de Bank onverwijld hieromtrent in te lichten.
De Bank kan voor het verstrekken van deze inlichtingen formulieren
beschikbaar stellen waarop de voor het beoordelen van het recht
van de werknemer op de cessantia-uitkering door de Bank gewenste
gegevens dienen te worden vermeld en welke door de werkgever ondertekend
bij de Bank dienen te worden ingediend.
3. Ingeval de dienstbetrekking van de werknemer krachtens het bepaalde
in artikel 3, tweede lid, dan wel anderszins als rechtens ononderbroken
dient te worden beschouwd, en de werkgever verkeert in de toestand
als vermeld in artikel 4, geeft de werkgever zo spoedig mogelijk
hiervan kennis aan de Bank.
4. Degene aan wie door de Bank een cessantia-uitkering als bedoeld
in artikel 4 geheel of gedeeltelijk ten onrechte is betaalbaar gesteld
of uitbetaald, geeft onverwijld hiervan kennis aan de Bank. Hij
is verplicht het ten onrechte genotene op eerste vordering van de
Bank terug te betalen. Het bepaalde in artikel 8 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 12. Ter uitvoering van deze landsverordening kunnen nadere
regelen worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
Art. 12a. 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze landsverordening bepaalde is belast de Bank.
2. De Bank is, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van
haar taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers
en
daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke
toestemming van
de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
3.
Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.
4. Een ieder is verplicht aan de Bank alle medewerking te verlenen
die in het kader van de toezichtuitoefening op grond van het tweede
lid wordt gevorderd.
Art. 13. Alle ingevolge deze landsverordening opgemaakte of overgelegde
stukken, verzoekschriften en beschikkingen zijn vrij van het recht
van zegel en van de formaliteit van registratie.
Strafbepalingen
Art.
14. 1. Hij die opzettelijk inlichtingen als bedoeld in artikel 11
onjuist verstrekt, dan wel een valse verklaring aan de Bank aflegt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van ten hoogste tienduizend gulden.
2. Overtreding van artikel 10, tweede lid, dan wel het niet of niet
tijdig nakomen van een der verplichtingen gesteld bij of krachtens
de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid, 11, eerste, tweede en
derde lid, en 12 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
maand of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
4. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen
Overgangs- en slotbepalingen
Art.
15. 1. Deze landsverordening, welke kan worden aangehaald als ,,Cessantia-landsverordening”,
treedt in werking met ingang van een nader bij landsbesluit te bepalen
tijdstip.
2. Indien een werknemer ingevolge een op het in het eerste lid bedoelde
tijdstip bestaande regeling of toezegging van de werkgever bij het
einde van de dienstbetrekking ten laste van de werkgever aanspraak
kan maken op een uitkering ineens, wordt de cessantia-uitkering
in mindering gebracht op deze uitkering.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid is de
werkgever verplicht voor het kalenderjaar 1983 uiterlijk op 31 december
1983 de in dat artikel bedoelde bijdrage te doen voor de in zijn
dienst zijnde werknemers.
|