| |
Arbeidsregeling
2000
LANDSVERORDENING van de 27ste juli 2000 houdende vaststelling van
nieuwe regels inzake arbeidsduur, arbeidstijden en overwerk; Tekst
in P.B. 2000, no. 67; inwtr. m.i.v. 1 aug. 2000; gewijzigd bij:
1. lv. van 29 december 2000 (P.B. 2000, no. 172), inwtr. m.i.v.
1 jan. 2001;
2. lv. van 4 december 2001 (P.B. 2001, no. 129), inwtr. m.i.v. 1
juni 2002 (P.B. 2002, no. 82);
3. lv. van 3 juni 2008 2008 (p.B. 2008, no. 50), inwtr. m.i.v. 5 juli 2008.
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Toepassingsgebied
1. Deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen zijn
van toepassing op het verrichten en het laten verrichten van arbeid.
2. Deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen zijn
niet van toepassing op arbeid, verricht:
a. door het hoofd of de bestuurder van de onderneming en zijn echtgenoot
of bloedverwant in de eerste graad, dan wel verricht door personen,
niet zijnde hoofd of bestuurder, die dezelfde bevoegdheden hebben
als het hoofd of de bestuurder;
b. door straatventers, vissers, kleine handelslieden en land- en
tuinbouwers, die geen vergunning nodig hebben op grond van de Vestigingsregeling
voor bedrijven;
c. met een wetenschappelijk doeleinde;
d. door geneeskundigen en verloskundigen, alsmede door personen
die werkzaam zijn in een zieken- of verzorgingsinrichting anders
dan op basis van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke
aanstelling;
e. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van luchtvaartondernemingen
en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van luchtvaartuigen
en de daarmee vervoerde personen of goederen;
f. door personen van 18 jaar of ouder als bemanning ten behoeve
van het luchtvaartuig waarop zij dienst doen;
g. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van scheepvaartondernemingen
en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van schepen
en de daarmee vervoerde personen of goederen;
h. door personen van 18 jaar of ouder als opvarende van het schip
waarop zij dienst doen;
i. door havenarbeiders van 18 jaar of ouder, waarop de Stuwadoorslandsverordening
1946 van toepassing is;
j. door personen van 18 jaar of ouder, die ambtenaar zijn in de
zin van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht of van wie
de arbeidsvoorwaarden bij of krachtens wettelijke regeling door
de Gouverneur dienen te worden goedgekeurd.
Artikel 2
Definities
1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
a. werknemer: de arbeider, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk
Wetboek van de Nederlandse Antillen;
b. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk
Wetboek van de Nederlandse Antillen, met uitzondering van degene
die beroepsmatig arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde
als bedoeld in de Landsverordening op het ter beschikking stellen
arbeidskrachten, doch met inbegrip van degene aan wie arbeidskrachten
ter beschikking worden gesteld als bedoeld in die landsverordening;
c. kinderen: personen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet
hebben bereikt;
d. jeugdigen: personen die de leeftijd van vijftien jaar, maar nog
niet de leeftijd van achttien jaar, hebben bereikt;
e. Directeur: op Curaçao de Directeur van het Departement
van Arbeid en Sociale Zaken en op Bonaire, Saba, Sint Eustatius
en Sint Maarten diens vertegenwoordiger.
2. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. arbeidsduur: het aantal uren dat de werknemer per week of per
dag werkt met uitzondering van overwerk;
b. arbeidstijd: de tijdstippen waarbinnen de werknemer arbeid verricht;
c. werktijden: de tijdstippen van aanvang en beëindiging van
de arbeid;
d. rusttijd: de tijd gedurende welke het verboden is arbeid te laten
verrichten, anders dan bij wijze van overwerk;
e. schemawerk: arbeid, niet zijnde overwerk, verricht volgens een
periodiek werkrooster op verschillende, met het oog op de aard van
de onderneming noodzakelijke, tijdstippen waardoor de arbeidstijd
geheel of gedeeltelijk valt binnen de in artikel 9, eerste lid,
bedoelde rusttijd;
f. overwerk: arbeid, verricht gedurende de voor de werknemer geldende
rusttijd, alsmede arbeid welke ten aanzien van de werknemer de op
grond van deze landsverordening of de daarop berustende bepalingen
maximaal toegestane arbeidsduur per dag of per week overschrijdt;
g. week: een periode van zeven opeenvolgende dagen;
h. rustdag: de zondag dan wel de dag die voor de werknemer, die
op zondag schemawerk verricht, volgens zijn werkrooster voor de
zondag in de plaats komt. De Directeur is bevoegd desverzocht te
bepalen, dat voor de belijder van een godsdienst, die een andere
wekelijkse rustdag voorschrijft dan de zondag, de voorgeschreven
dag voor de toepassing van deze landsverordening in de plaats treedt
van de zondag.
Artikel 3
Inkomensgrens
1. Deze landsverordening is niet van toepassing op werknemers van
wie het bruto jaarinkomen meer bedraagt dan 260 maal het dagloon,
bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Landsverordening Ziekteverzekering.
2. Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende
bepalingen wordt onder inkomen verstaan: alle inkomsten uit arbeid
in één onderneming, waaronder mede begrepen het naar
tijdruimte vastgestelde loon, het vakantiegeld, provisie en winstbonussen
en dergelijke, die als grondslag dienen voor de inkomstenbelasting,
met uitzondering van de vergoeding voor overwerk en de toeslag,
bedoeld in artikel 11, negende lid.
Artikel 4
Het is verboden arbeid te laten verrichten in strijd met de bepalingen
van deze landsverordening of de daarop berustende bepalingen.
Artikel 5
De ouder of de voogd van het kind dat of de jeugdige die onder
zijn ouderlijke macht respectievelijk voogdij staat, dan wel het
hoofd van het gezin, waarin het kind of de jeugdige wordt opgevoed,
zorgt ervoor dat het betreffende kind of de betreffende jeugdige
geen arbeid verricht die bij of krachtens deze landsverordening
wordt verboden.
Artikel 6
Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende
bepalingen kunnen meerdere werkgevers jegens de werknemer als één
werkgever worden aangemerkt door de Directeur, indien de eigendom
van de ondernemingen grotendeels in handen is van dezelfde natuurlijke
persoon of rechtspersoon, dan wel indien de feitelijke bestuursbevoegdheid
of enige vorm van leiding in handen is van dezelfde natuurlijke
persoon of rechtspersoon.
Artikel 7
Van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening kan niet
ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij dit uitdrukkelijk
in de landsverordening bepaald is.
Hoofdstuk 2
Algemene bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur, werktijden en
rusttijden
Artikel 8
Arbeidsduur
1. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per week, berekend
over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur
per dag niet meer dan tien uur bedraagt.
2. De arbeidsduur voor de werknemer, die schemawerk verricht, bedraagt
ten hoogste 45 uur per week, berekend over een periode van vier
weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag niet meer dan
tien uur bedraagt.
3. Het is verboden een werknemer arbeid te laten verrichten, waardoor
de arbeidsduur genoemd in het eerste en tweede lid, wordt overschreden,
anders dan bij wijze van overwerk.
4. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste en tweede
lid worden afgeweken.
Artikel 9
Rusttijden
1. Als rusttijd geldt:
a. dagelijks de tijd voor 7.00 uur en de tijd na 20.00 uur, met
dien verstande dat voor de werknemer in een onderneming, die krachtens
enige wettelijke regeling een voorgeschreven sluitingstijd heeft,
de laatst bedoelde rusttijd ten hoogste een half uur na die sluitingstijd
valt, waarbij het tijdstip van aanvang van de arbeid op de volgende
dag zodanig moet zijn dat voor die werknemer een aaneengesloten
rusttijd van tenminste 11 uren geldt;
b. de wekelijkse rustdag;
c. wekelijks tenminste twee maal het gedeelte van een dag, anders
dan de rustdag bedoeld onder b, voorafgaand aan of volgend op 13.00
uur;
d. feestdagen, als bedoeld in artikel 23.
2. In afwijking van het eerste lid geldt als rusttijd voor de werknemer,
die schemawerk verricht:
a. dagelijks de tijd buiten de tijdstippen van aanvang en afloop
van zijn arbeidstijd, met dien verstande dat zijn rusttijd in een
aaneengesloten tijdruimte van 24 uren tenminste 11 uren aaneengesloten
is, zij het dat de aaneengesloten rusttijd éénmaal
in een aaneengesloten tijdruimte van zeven maal 24 uren, aanvangende
op het tijdstip van de dag waarop de werknemer arbeid verricht,
mag worden ingekort tot tenminste acht uren;
b. de voor de werknemer volgens zijn werkrooster geldende wekelijkse
rustdag;
c. wekelijks tenminste eenmaal het gedeelte van een dag, anders
dan de rustdag bedoeld onder b, voorafgaand aan of volgend op 13.00
uur;
d. feestdagen, als bedoeld in artikel 23, voor zover de werknemer
op die feestdagen niet conform zijn werkrooster arbeid verricht,
met dien verstande dat de werknemer per kalenderjaar tenminste op
vijf feestdagen is vrijgesteld van arbeid.
3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat de rustdag van
de werknemer, die schemawerk verricht, tenminste éénmaal
per zeven weken op een zondag valt, een en ander met inachtneming
van artikel 2, tweede lid, onder h, tweede volzin. Bij collectieve
arbeidsovereenkomst kan van het bepaalde in de eerste volzin worden
afgeweken.
4. Het is verboden de werknemer arbeid te laten verrichten gedurende
de voor hem geldende rusttijd, anders dan bij wijze van overwerk.
Artikel 10
Pauze
1. De arbeidstijd van een werknemer moet op elke dag waarop hij,
al dan niet bij wijze van overwerk, meer dan zes uren arbeid verricht,
na ten hoogste vijf uren arbeid worden onderbroken door een pauze
van tenminste een half uur.
2. Het is verboden de werknemer gedurende diens pauze arbeid te
laten verrichten, anders dan bij wijze van overwerk.
3. Een onderbreking van de arbeidstijd van minder dan 15 minuten
geldt niet als pauze.
Artikel 11
Consignatie-dienst
1. Onder consignatie wordt voor de toepassing van deze landsverordening
verstaan: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten
of tijdens een pauze, waarin de werknemer verplicht is bereikbaar
te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo
spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
2. Het is verboden consignatie op te leggen aan werknemers jonger
dan 18 jaar.
3. De werkgever deelt de arbeid zo in, dat:
a. per vier weken gedurende tenminste 14 aaneengesloten dagen geen
consignatie aan de werknemer wordt opgelegd;
b. geen consignatie wordt opgelegd op de dag of dagen waarop arbeid
in nachtdienst wordt verricht.
4. In afwijking van artikel 8, tweede en vierde lid, bedraagt de
arbeidsduur over een periode van 13 weken berekend niet meer dan
40 uur per week, indien de consignatie ook de periode tussen 0.00
uur en 6.00 uur bestrijkt.
5. Als arbeidstijd geldt tijdens de consignatie de werkelijk als
gevolg van een oproep gewerkte tijd, met dien verstande dat de arbeid
als gevolg van één oproep of meerdere oproepen binnen
een half uur geacht wordt tenminste een half uur te duren. Indien
na beëindiging van de arbeid als gevolg van een oproep binnen
een half uur weer een oproep volgt, geldt die tussenliggende periode
ook als arbeidstijd.
6. De arbeid, die voortvloeit uit de consignatie, telt niet mee
voor de berekening van de totale arbeidsduur, bedoeld in artikel
8.
7. Op de arbeid, die voortvloeit uit de consignatie, zijn de artikelen
9 en 10 niet van toepassing.
8. De arbeid, die gedurende consignatie wordt verricht, is overwerk,
waarvan de beloning geschiedt conform artikel 15.
9. Tenzij anders overeengekomen bij schriftelijke overeenkomst,
betaalt de werkgever de werknemer aan wie consignatie is opgelegd,
onverminderd het achtste lid en ongeacht of er daadwerkelijk oproepen
zijn gedaan of arbeid als gevolg van een oproep is verricht, per
dag, waarop die consignatie wordt opgelegd, een toeslag van één
percent van zijn bruto-maandloon.
10. De Directeur is bevoegd het opleggen van consignatiedienst aan
een of meer werknemers in een onderneming te verbieden, dan wel
daaraan nadere voorwaarden te verbinden of beperkingen te stellen
indien hem dat met het oog op de gezondheid of het welzijn van de
betrokken werknemer of werknemers wenselijk voorkomt.
Artikel 12
Nachtdienst
1. Er is sprake van nachtdienst, indien de werknemer, die schemawerk
verricht, volgens zijn werkrooster arbeid verricht op of na 0.00
uur of voor 6.00 uur, anders dan bij wijze van overwerk.
2. De arbeidsduur per nachtdienst, exclusief pauze, bedraagt ten
hoogste acht uren.
3. In afwijking van artikel 8, tweede lid, bedraagt de arbeidsduur
van de werknemer, die arbeid in nachtdienst verricht, over een periode
van 13 weken berekend niet meer dan 40 uur per week.
4. De werkgever deelt de arbeid zo in, dat:
a. de werknemer in elke periode van vier aaneengesloten weken ten
hoogste 14 maal arbeid in nachtdienst verricht;
b. de werknemer na het verrichten van arbeid in nachtdienst een
onafgebroken rusttijd heeft van tenminste 12 uren indien de nachtdienst
voor of op 2.00 uur eindigt dan wel van 14 uren indien de nachtdienst
na 2.00 uur eindigt, met dien verstande dat de rusttijd in een aaneengesloten
periode van zeven maal 24 uren éénmaal kan worden
bekort tot tenminste 8 uren;
c. de werknemer na ten hoogste 6 maal achtereen arbeid in nachtdienst
te hebben verricht een onafgebroken rusttijd heeft van tenminste
48 uren.
5. Het bepaalde in het vierde lid, onder a, is niet van toepassing
op de werknemer, wiens werkzaamheden naar de aard ervan hoofdzakelijk
of uitsluitend en geheel of gedeeltelijk worden verricht tussen
de in het eerste lid bedoelde tijdstippen.
6. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het tweede en derde
lid worden afgeweken.
Artikel 13
Afwijking van werktijden
Indien de werknemer in opdracht van de werkgever zijn werkzaamheden
moet aanvangen op een tijdstip dat meer dan een uur afwijkt van
de voor de werknemer geldende of gebruikelijke werktijd als aangegeven
op de arbeidslijst bedoeld in artikel 28, dan wel indien de werkgever
voorziet dat de werknemer langer zal moeten werken dan de op die
lijst aangeven arbeidsduur of dat van de op die lijst aangegeven
tijdstippen zal moeten worden afgeweken anders dan bij wijze van
overwerk, is de werkgever verplicht die opdracht tenminste twee
maal 24 uren voorafgaand aan dat afwijkende tijdstip aan de werknemer
kenbaar te maken.
Hoofdstuk 3
Overwerk
Artikel 14
Arbeidsduur inclusief overwerk
1. De arbeidsduur, bedoeld in artikel 8, eerste lid, bedraagt inclusief
overwerk ten hoogste 50 uren per week, berekend over een periode
van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur inclusief
overwerk per dag niet meer dan 11 uren bedraagt en de arbeidsduur
inclusief overwerk berekend over een periode van 13 weken niet meer
dan 45 uren per week bedraagt.
2. De arbeidsduur bedoeld in artikel 8, tweede lid, bedraagt inclusief
overwerk ten hoogste 55 uren per week, berekend over een periode
van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur inclusief
overwerk per dag niet meer dan 11 uren bedraagt en de arbeidsduur
inclusief overwerk berekend over een periode van 13 weken niet meer
dan 50 uren per week bedraagt.
3. De arbeidsduur van de werknemer, die arbeid in nachtdienst verricht
als bedoeld in artikel 12, bedraagt inclusief overwerk maximaal
negen uren per dag, met dien verstande dat de arbeidsduur inclusief
overwerk berekend over een periode van 13 weken niet meer dan 45
uren per week bedraagt.
4. Voor de bepaling van de duur van overwerk wordt het totale aantal
minuten overwerk telkens op halve uren naar boven afgerond.
5. Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende
bepalingen wordt overwerk, dat per dag minder dan 15 minuten duurt
en dat geen regelmatig karakter draagt, niet als overwerk beschouwd.
6. De Directeur is, onverminderd het bepaalde in artikel 17, bevoegd
te bepalen dat in een bepaalde onderneming, al dan niet ten aanzien
van één of meerdere werknemers, overwerk, als bedoeld
in het vijfde lid, als overwerk in de zin van deze landsverordening
moet worden beschouwd, indien hij oordeelt dat zulk overwerk binnen
die onderneming, al dan niet ten aanzien van één of
meerdere werknemers, een regelmatig karakter draagt.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste, tweede
en derde lid worden afgeweken.
Artikel 15
Compensatie voor overwerk
1. Voor verricht overwerk ontvangt de werknemer per uur, naast
het voor hem geldende volle uurloon, een overwerktoeslag van tenminste
50 percent van zijn uurloon ter compensatie.
2. Naast de overwerktoeslag, bedoeld in het eerste lid, moet aan
de werknemer die geen schemawerk verricht, bovendien een overwerktoeslag
worden betaald van:
a. tenminste 25 percent van zijn uurloon, indien het overwerk wordt
verricht gedurende de rusttijd als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onder c; dan wel
b. tenminste 50 percent van zijn uurloon, indien het overwerk wordt
verricht op diens rustdag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder
b; dan wel
c. tenminste 100 percent van zijn uurloon, indien het overwerk wordt
verricht op een feestdag, zulks inclusief het bepaalde in artikel
22, eerste lid.
3. Naast de overwerktoeslag, bedoeld in het eerste lid, moet aan
de werknemer die schemawerk verricht, bovendien een overwerktoeslag
worden betaald van:
a. tenminste 25 percent van zijn uurloon, indien het overwerk wordt
verricht gedurende de rusttijd als bedoeld in artikel 9, tweede
lid, onder c; dan wel
b. tenminste 25 percent van zijn uurloon, indien het overwerk wordt
verricht op dezelfde dag als die waarop arbeid in nachtdienst wordt
verricht; dan wel
c. tenminste 50 percent van zijn uurloon, indien het overwerk plaatsvindt
op de dag die volgens zijn werkrooster een rustdag is; dan wel
d. tenminste 100 percent van zijn uurloon, indien het overwerk plaatsvindt
op een feestdag, zulks inclusief het bepaalde in artikel 22, eerste
lid.
4. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kunnen lagere toeslagen dan
die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden overeengekomen.
5. Indien het overwerk geen volle uren betreft, vindt, met inachtneming
van artikel 14, eerste tot en met derde lid, evenredige compensatie
op de voet van het eerste tot en met het derde lid plaats.
6. Bij schriftelijke overeenkomst kan worden overeengekomen dat
de in dit artikel bedoelde compensatie voor overwerk geheel of gedeeltelijk
in betaald verlof plaatsvindt op voet van de in het eerste tot en
met het derde lid genoemde toeslagen.
Artikel 16
Bijzondere voorwaarden voor het laten verrichten van overwerk
1. Indien de werkgever de werknemer oproept overwerk te verrichten
op een dag, waarop hij geen arbeid verricht, wordt het overwerk
geacht tenminste drie uren te duren.
2. In het geval de arbeidsduur per dag inclusief overwerk tenminste
tien uren is, is de werkgever verplicht de werknemer een warme maaltijd
of een daartoe toereikende vergoeding te geven.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste en tweede
lid worden afgeweken.
4. Een opdracht tot het verrichten van overwerk wordt door de werkgever
zo tijdig mogelijk aan de werknemer gegeven. Bij het geven van een
opdracht tot overwerk dient de werkgever de belangen van de werknemer
zo veel mogelijk in acht te nemen.
Artikel 17
De Directeur is bevoegd het laten verrichten van overwerk binnen
een bepaalde onderneming, al dan niet ten aanzien van een bepaalde
werknemer of groep van werknemers, te verbieden, aan een maximum
omvang te verbinden of hieraan voorwaarden te verbinden, indien
hem dat met het oog op de gezondheid of het welzijn van die werknemer
of werknemers wenselijk voorkomt, dan wel indien hij oordeelt, dat
de behoefte aan overwerk binnen die onderneming het gevolg is van
een structureel tekort aan werknemers binnen die onderneming.
Hoofdstuk 4
Verbod van kinderarbeid
Artikel 18
Verbod van kinderarbeid
Het is verboden kinderen, al dan niet tegen betaling en al dan
niet op grond van een arbeidsovereenkomst, arbeid te laten verrichten.
Artikel 19
1. Voor de toepassing van artikel 18 wordt onder arbeid mede verstaan
alle werkzaamheden buiten een onderneming, met uitzondering van
werkzaamheden:
a. in of ten behoeve van het gezin, waarin het kind wordt opgevoed;
b. in scholen, werkkampen en opvoedingsgestichten, mits deze werkzaamheden
een opvoedkundig karakter dragen en niet in de eerste plaats gericht
zijn op het behalen van een economisch voordeel.
2. Bij of krachtens landsbesluit houdende algemene maatregelen kan,
al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden, worden
bepaald dat voor de toepassing van artikel 18 onder arbeid niet
wordt verstaan: werkzaamheden, verricht door kinderen van twaalf
jaar of ouder, die:
a. noodzakelijk zijn voor het leren van een vak of beroep mits niet
plaatsvindend voor 7.00 uur en niet na 19.00 uur;
b. uit de aard ervan door kinderen plegen te worden verricht, mits
niet plaatsvindend gedurende schooltijd en niet voor 7.00 uur en
niet na 19.00 uur;
c. lichamelijk of geestelijk geen hoge eisen stellen of een gevaarlijk
karakter dragen, mits niet plaatsvindend gedurende schooltijd en
niet voor 7.00 uur en niet na 19.00 uur.
Hoofdstuk 5
Arbeid door jeugdigen
Artikel 20
Verbod nachtarbeid door jeugdigen
Het is verboden jeugdigen arbeid te laten verrichten gedurende
de tijd voorafgaand aan 7.00 uur en volgend op 19.00 uur.
Artikel 21
Verbod gevaarlijke arbeid door jeugdigen
1. Het is verboden jeugdigen gevaarlijke arbeid te laten verrichten.
2. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen wordt bepaald
welke arbeid tenminste als gevaarlijke arbeid moet worden aangemerkt
voor de toepassing van het eerste lid.
Hoofdstuk 6
Feestdagen
Artikel 22
1. De werknemer behoudt over een feestdag aanspraak op tenminste
het loon dat hij op die dag gedurende de voor hem geldende normale
arbeidstijd zou hebben verdiend, indien die dag geen feestdag zou
zijn.
2. In afwijking van het eerste lid, heeft de werknemer, die daadwerkelijk
schemawerk verricht op een feestdag, aanspraak op tenminste tweemaal
het loon, dat hij op die dag gedurende de voor hem geldende normale
arbeidstijd zou hebben verdiend, indien die dag geen feestdag zou
zijn.
3. Iedere aanspraak op grond van dit artikel vervalt van rechtswege
indien, de
werknemer verplicht is werk te verrichten op een feestdag en hij
deze verplichting zonder wettige reden geheel of gedeeltelijk niet
nakomt.
4. De vergoeding van één of meer feestdagen mag niet
in de vorm van een opslag op het loon worden uitgekeerd.
Artikel 23
1. Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder feestdag:
a. Nieuwjaarsdag;
b. de datum vallende na de datum van de in de eilandgebieden Bonaire,
Curaçao, Saba en St. Eustatius afzonderlijk gehouden Carnavalsoptocht
voor wat betreft die eilandgebieden en de datum vallende voor de
datum van de in het eilandgebied Sint Maarten gehouden Carnavalsoptocht
voor wat betreft dat eilandgebied;
c. de Goede Vrijdag;
d. de Eerste en Tweede Paasdag;
e. de Hemelvaartsdag;
f. de Pinksterzondag;
g. de Eerste en Tweede Kerstdag;
h. de dag waarop de verjaardag van de Koningin officieel wordt gevierd;
i. de Dag van de Arbeid;
j. de datum 15 december als zijnde "Koninkrijksdag, danwel Dia di Reino, danwel Kingdom Day";
k. de datum 6 september voor het eilandgebied Bonaire, de datum
2 juli voor het eilandgebied Curaçao, de datum 11 november
voor het eilandgebied Sint Maarten, de datum 16 november voor het
eilandgebied Sint Eustatius en de datum van de eerste vrijdag van
december voor het eilandgebied Saba.
2. De Dag van de Arbeid wordt jaarlijks gevierd op 1 mei, tenzij
die dag op een zondag valt of op die dag de verjaardag van de Koningin
officieel wordt gevierd, in welke gevallen de Dag van de Arbeid
op de eerst volgende werkdag wordt gevierd.
3. het Bestuurscollege van een eilandgebied is bevoegd te bepalen
dat in het eilandgebied de in het eerste lid onder b of k bedoelde
feestdag op een andere datum wordt gevierd.
4. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kan worden bepaald
dat andere dan in de vorige leden bedoelde dagen als feestdagen
gelden.
Hoofdstuk 7
Bijzondere bepalingen
Artikel 24
Verlenging arbeidsduur
1. In afwijking van de artikelen 8 en 14 kan de Directeur op een
daartoe strekkend verzoek bij beschikking de arbeidsduur inclusief
overwerk voor een onderneming voor een bepaalde tijd vaststellen
op ten hoogste 60 uren per week, berekend over een periode van vier
weken, voor zover dit voor die onderneming, gezien de bijzondere
omstandigheden van het geval, noodzakelijk is voor een gezonde bedrijfsvoering.
2. Aan de beschikking bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden
worden verbonden.
3. Wijzigingen in de werktijden, rusttijden en arbeidsduur in een
onderneming, waarvoor een beschikking, bedoeld in het eerste lid,
geldt, alsmede alle andere relevante wijzigingen in de bedrijfsvoering,
worden niet doorgevoerd zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring
van de Directeur. De Directeur kan aan zijn goedkeuring nadere voorwaarden
verbinden.
Artikel 25
Bijzondere bepalingen ten aanzien van huishoudelijk personeel
1. Op huishoudelijk werk of persoonlijke diensten, verricht in
dienst van een natuurlijke persoon in de huishouding van die persoon,
zijn de artikelen 8 tot en met 17 niet van toepassing, met dien
verstande dat ten aanzien van de werknemer, die bedoelde arbeid
verricht, geldt dat:
a. de arbeidsduur per dag ten hoogste 11 uren en per week ten hoogste
55 uren bedraagt;
b. de werknemer in iedere periode van zeven dagen zijn wekelijkse
rustdag geniet;
c. de arbeidstijd tussen 6.00 uur en 22.00 uur ligt, tenzij de dienstbetrekking
uitsluitend of hoofdzakelijk ziet op de verzorging van de natuurlijke
persoon of één of meer van diens huisgenoten en deze
verzorging uitsluitend of hoofdzakelijk dient plaats te vinden buiten
de vorenbedoelde tijdstippen.;
d. de werknemer na iedere vijf uur arbeid een pauze van tenminste
een half uur geniet;
e. de werknemer gedurende feestdagen is vrijgesteld van dienst met
behoud van loon;
f. dat arbeid, welke de dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur bedoeld
onder a, overschrijdt, alsmede arbeid, verricht buiten de arbeidstijd
of gedurende diens pauze wordt beloond met een toeslag van 50 percent
van het loon van de werknemer per gewerkt uur, waarbij afronding
naar boven geschiedt op halve uren;
g. dat arbeid verricht op de rustdag of op een feestdag wordt beloond
met een toeslag van 100 percent van het loon van de werknemer per
gewerkt uur, waarbij afronding naar boven geschiedt op halve uren.
2. De verplichtingen bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30, zijn
niet van toepassing op de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 26
Bijzondere bepalingen voor arbeid in een vol-continu bedrijf
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder arbeid
in een vol-continu bedrijf: arbeid, die niet uitsluitend een ondersteunend
karakter draagt, en die wordt verricht in een onderneming waarbinnen
naar de aard van het bedrijfs- of productieproces gedurende 24 uur
per dag zonder onderbreking arbeid dient te worden verricht.
2. Ten aanzien van arbeid, verricht in een vol-continu bedrijf,
geldt in afwijking van de desbetreffende bepalingen van deze landsverordening,
het volgende:
a. Artikel 9, tweede lid, onder c, is niet van toepassing;
b. In afwijking van artikel 9, derde lid, organiseert de werkgever
de arbeid zodanig dat de rustdag van de werknemer tenminste éénmaal
per dertien weken op zondag valt;
c. In afwijking van artikel 10, eerste lid, geldt dat de werkgever
de werknemer op een dag waarop deze meer dan zes uren arbeid verricht
een pauze van tenminste een half uur toestaat, tenzij de dienst
dat niet toelaat;
d. Artikel 11, derde, vierde en negende lid, is niet van toepassing;
e. Artikel 12, derde lid, is niet van toepassing;
f. Artikel 14, tweede en derde lid, is niet van toepassing, met
dien verstande dat de arbeidsduur inclusief overwerk per week in
geen geval meer dan 60 uur bedraagt.
1. De Directeur is bevoegd ten aanzien van een bepaalde onderneming
te bepalen dat de in die onderneming verrichte arbeid niet wordt
beschouwd als arbeid bedoeld in het eerste lid.
2. Niettegenstaande het bepaalde in het tweede lid is de Directeur
bevoegd ten aanzien van een werknemer of een groep van werknemers,
die in een bepaalde onderneming arbeid als bedoeld in het eerste
lid verrichten, aanvullende voorwaarden te verbinden ten aanzien
van de arbeidsduur, de arbeidsduur inclusief overwerk, de werktijden,
de pauze en de rusttijden, indien hem dat met het oog op de gezondheid
of het welzijn van die werknemer of groep van werknemers wenselijk
voorkomt.
Artikel 27
Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ten aanzien
van een bepaalde bedrijfstak of ten aanzien van een bepaalde soort
arbeid nadere of afwijkende regels worden gesteld ten aanzien van
de artikelen 8 tot en met 16.
Hoofdstuk 8
Administratieve bepalingen
Artikel 28
Arbeidslijst en werkroosters
1. In de onderneming wordt op een plaats, die vrij toegankelijk
is voor de betrokken werknemers, een arbeidslijst op zodanige wijze
opgehangen, dat daarvan gemakkelijk kennis kan worden genomen. De
arbeidslijst geeft een systematisch overzicht van de verschillende
binnen de onderneming aanwezige functies en het daarbij begrote
personeelsbestand, alsmede van de binnen de onderneming gehanteerde
werktijden of werkroosters en van de binnen de onderneming geldende
rusttijden.
2. Indien de op de arbeidslijst vermelde arbeidstijden geheel of
gedeeltelijk vallen binnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde
rusttijd, dan wel indien de arbeidslijst geheel of gedeeltelijk
betrekking heeft op werknemers, die schemawerk verrichten, zendt
de werkgever onverwijld een afschrift van de arbeidlijst, alsmede
bericht van iedere wijziging daarvan, toe aan de Directeur.
3. De Directeur is bevoegd de toepassing van de werktijden of een
werkrooster, zoals opgenomen in de arbeidslijst, ten aanzien van
een werknemer of een bepaalde groep werknemers in een onderneming
geheel of gedeeltelijk te verbieden dan wel daaromtrent bindende
aanwijzingen te geven, indien:
a. hij oordeelt, dat de aard van de onderneming, bedoeld in artikel
2, tweede lid onder e, arbeid gedurende de op de arbeidslijst vermelde
arbeidstijden niet noodzakelijk maakt. Een en ander uitsluitend
voor zover die arbeidstijden vallen binnen de in artikel 9, eerste
lid, bedoelde rusttijd; dan wel
b. hem dat met het oog op de gezondheid of het welzijn van de betreffende
werknemer of werknemers wenselijk voorkomt.
4. Indien er ten behoeve van de betreffende onderneming een beschikking,
bedoeld in artikel 24, is afgegeven, wordt een afschrift daarvan
aan de arbeidslijst gehecht, op zodanige wijze dat daarvan door
de betrokken werknemers gemakkelijk kennis kan worden genomen.
5. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen nadere
regels gesteld worden waaraan de arbeidslijst dient te voldoen.
Artikel 29
Personeelsregister
De werkgever overlegt op verzoek van de Directeur een personeelsregister,
waarin de namen, geboortedata en nationaliteiten van de werknemers
in de onderneming vermeld staan. Van werknemers, die niet van rechtswege
zijn toegelaten in de Nederlandse Antillen, wordt het nummer en
de datum van afgifte van de verblijfsvergunning vermeld.
Artikel 30
Overwerkregister
De werkgever overlegt op verzoek van de Directeur een register
van het binnen zijn onderneming verrichte overwerk over ten hoogste
de afgelopen twaalf maanden. Het register geeft een overzicht van
de namen van de werknemers, die overwerk hebben verricht, de data
waarop het overwerk is verricht, de duur van het verrichte overwerk
per werknemer en de voor het overwerk gegeven compensatie.
Hoofdstuk 9
Bezwaar en beroep
Artikel 31
Vervallen per 1 december 2001 door inwerkingtreding van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak
Artikel 32
Vervallen per 1 december 2001 door inwerkingtreding van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak
Hoofdstuk 10.
Naleving en toezicht op de naleving
Artikel 33
1. De werkgever draagt er zorg voor, dat in de onderneming geen
arbeid wordt verricht in strijd met het bepaalde bij of krachtens
deze landsverordening. Tevens draagt de werkgever er zorg voor,
dat de voorwaarden, die door de Directeur krachtens deze landsverordening
worden gesteld, nageleefd worden.
2. Met de werkgever bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld
het hoofd en de bestuurder van de onderneming.
3. Gelijke verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, rusten
op het toezichthoudend personeel, voor zover door de werkgever belast
met de zorg voor de naleving van de in dat lid bedoelde bepalingen.
4. De werkgever dan wel het toezichthoudend personeel worden geacht
aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste respectievelijk
derde lid te hebben voldaan, indien zij aantonen dat door hen de
nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen,
de nodige middelen zijn verschaft en tevens het redelijkerwijze
te vorderen toezicht is gehouden om de naleving te verzekeren van
de bepalingen, voor de naleving waarvan zij verplicht zijn zorg
te dragen.
Artikel 34
1. Met het toezicht op de naleving van het bij deze landsverordening
bepaalde zijn belast de daartoe bij landsbesluit aan te wijzen ambtenaren
en andere personen.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt bekendgemaakt
in de Curaçaosche Courant.
3. Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthoudende ambtenaren
en personen een legitimatiebewijs bij zich. Desgevraagd tonen zij
hun legitimatiebewijs aanstonds. Het legitimatiebewijs bevat een
foto van de toezichthoudende ambtenaar of persoon en vermeldt in
ieder geval diens naam en hoedanigheid.
4. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren en personen
zijn, uitsluitend voorzover dat voor de uitoefening van hun taak
redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers
en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. alle plaatsen, met uitzondering van woningen, zonder de uitdrukkelijke
toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van de daartoe
door hen aangewezen personen;
d. woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder
de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner te betreden.
6. Zonodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het vierde
lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.
6. Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten
van vaartuigen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, is titel
X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156,
tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste volzin,
en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt
verleend door de procureur-generaal.
7. Een ieder is verplicht de in het eerste lid bedoelde ambtenaren
en personen alle medewerking te verlenen die op grond van het vierde
lid wordt gevorderd.
Artikel 35
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening
en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet
reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake
van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk
voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak
tot mededeling voortvloeit.
Hoofdstuk 11
Strafbepalingen
Artikel 36
1. Hij, die opzettelijk de artikelen 8, derde lid, 9, vierde lid,
10, tweede lid, 11, tweede lid, 18, 20 of 21, eerste lid, overtreedt,
wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren,
een geldboete van ten hoogste honderdduizend gulden of met beide
straffen.
2. Hij, die een voorschrift, verplichting of voorwaarde, bij of
krachtens deze landsverordening gesteld, niet of niet volledig naleeft,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar, een geldboete
van ten hoogste vijfentwintigduizend gulden of met beide straffen.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Hoofdstuk 12
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 37
Indien en voor zover op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
landsverordening overeen-komsten of reglementen bestaan, welke in
voor de werknemer nadelige zin afwijken van het bij of krachtens
deze landsverordening bepaalde, dan blijft het bij die overeenkomsten
of reglementen bepaalde voor ten hoogste een jaar na inwerkingtreding
van deze landsverordening ten aanzien van die werknemer gelden.
Artikel 38
Indien toepassing van het bij of krachtens deze landsverordening
bepaalde voor de werknemer, op wie de Arbeidsregeling 1952 tot het
moment van inwerkingtreding van deze landsverordening van toepassing
was, voor hem nadelig is ten opzichte van toepassing van de Arbeidsregeling
1952 of de daarop berustende bepalingen, dan vindt toepassing daarvan
niet eerder plaats dan na een jaar na inwerkingtreding van deze
landsverordening, tenzij de werknemer uitdrukkelijk schriftelijk
instemt met een eerdere toepassing daarvan, dan wel indien die eerdere
toepassing bij collectieve arbeidsovereenkomst wordt overeengekomen.
Artikel 39
De werkgever, die op het moment van inwerkingtreding van deze landsverordening
beschikt over een goedgekeurde werktijdenregeling als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van Arbeidsbesluit I (PB 1954, no. 93), waarin
een arbeidsduur wordt toegepast welke afwijkt van de artikelen 8
of 14 van deze landsverordening, wordt geacht voor een periode van
ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding
van deze landsverordening, te beschikken over de toestemming bedoeld
in artikel 24. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing
op de werkgever die beschikt over een goedgekeurde werktijdenregeling,
bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Horeca-besluit (P.B. 1968,
no. 3) of een goedgekeurde werktijdenregeling, bedoeld in artikel
1, eerste lid, van het Arbeidsbesluit Casino (P.B. 1977, no. 35).
Artikel 40
1. Ten aanzien van de werknemer van 18 jaar of ouder, die schemawerk
verricht in een bakkersbedrijf en wiens arbeid bestaat uit het bakken
van brood of banket dan wel uit werkzaamheden die daarmee direct
samenhangen en op wie op tot het moment van inwerkingtreding van
deze landsverordening het bepaalde in Arbeidsbesluit II (P.B. 1954,
no. 94) van toepassing was, geldt gedurende ten hoogste een jaar
na inwerkingtreding van deze landsverordening dat:
a. in afwijking van artikel 8, tweede lid, de arbeidsduur per week
ten hoogste 45 uur bedraagt, berekend over een periode van vier
weken met dien verstande dat de arbeidsduur per dag ten hoogste
10 uren bedraagt;
b. als rusttijd geldt de rusttijd bepaald in artikel 9, tweede lid,
met dien verstande dat in afwijking daarvan tevens de tijd na 23.00
uur en de tijd voor 5.00 uur als rusttijd geldt;
c. de arbeidsduur inclusief overwerk gelijk is aan de arbeidsduur,
bedoeld in artikel 14, tweede lid, en dat voorts ten aanzien van
overwerk de bepalingen, die gelden voor de werknemer die schemawerk
verricht, van overeenkomstige toepassing zijn.
2. Het eerste lid laat de toepassing van artikel 24 onverlet.
3. Artikel 28, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
(vervallen)
Artikel 42
Alle ten gevolge van deze landsverordening opgemaakte, overgelegde
en over te leggen stukken zijn vrij van zegel en worden, indien
registratie verplicht is gesteld, kosteloos geregistreerd.
Artikel 43
1. Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de eerste
dag van de maand, volgend op de maand van uitgifte van het Publicatieblad,
waarin haar afkondiging is geschied.
2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening
komen te vervallen de Arbeidsregeling 1952 (P.B. 1952, no. 93) en
de daarop berustende regelingen, met dien verstande dat het Arbeidsbesluit
jeugdige personen (P.B. 1989, no. 47) met ingang van evengenoemd
tijdstip geacht wordt te strekken ter uitvoering van artikel 21,
tweede lid.
3. Indien de door de regering op 26 oktober 1999 aan de Staten aangeboden
ontwerp-Landsverordening administratieve rechtspraak (Zitting 1999-2000-2303)
nadat deze tot landsverordening is verheven, in werking treedt,
dan komen de artikelen 31 en 32 op het zelfde tijdstip te vervallen.
Artikel 44
De Minister van Arbeid en Sociale Zaken zendt binnen drie jaar
na inwerkingtreding van deze Landsverordening aan de Staten een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze Landsverordening.
Artikel 45
Deze landsverordening kan worden aangehaald als de "Arbeidsregeling
2000".
Gegeven te Willemstad, 27 juli 2000
J.M. SALEH
De Minister van Arbeid en Sociale Zaken,
L.A. GEORGE-WOUT
Uitgegeven de 29ste juli 2000
De Minister van Algemene Zaken,
M.A. POURIER
|