[ Home ] [ Folders Arbeidswetgeving ] [ Rapporten ] [ Folders Laborlegislation ] [ FAQ ] [ Adressen dirAZ ]
[ Vacaturebank ] [ Verhuiskostenregeling ]
   
  Seminar Internationale Arbeidsverdragen 2005
  Verslag van het Seminar Internationale Arbeidsverdragen,

24 - 27 januari 2005
Maandag 24 januari 2005

Na het welkomstwoord van de moderator wordt het seminar officieel geopend door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen, zijne Excellentie Mr F.M. d.l.S. Goedgedrag. Daarna waren er toespraken van de bewindslieden, de Staatssecretaris van Arbeidszaken van de Nederlandse Antillen, de heer D.H. Poulo en de Minister van Arbeid, Cultuur en Sport van Aruba, de heer S.E. Tai Foo Ramon Lee.

Voor de openingszitting waren naast de deelnemers ook de Gezaghebbers en de Gedeputeerden van Arbeid van alle eilanden van de Nederlandse Antillen uitgenodigd, alsmede leden van de Ministerraad en parlementsleden van de Antillen.

Daarna volgt een inleiding van mevrouw Alette van Leur MSC van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland over internationale arbeidsverdragen en hub consequenties. Mevrouw van Leur kaart een drietal thema’s aan:

hoe komen internationale arbeidsverdragen tot stand;

wat is het belang en de waarde van internationale arbeidsverdragen;

fundamentele arbeidsverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie.

De doelstelling van de ILO is het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en de bescherming van de worker. Dit gebeurt onder andere door het opstellen van internationale arbeidsverdragen en –aanbevelingen. De laatse jaren komen er nauwelijks nieuwe verdragen bij; het arsenaal arbeidsverdragen is ongeveer compleet. De nieuwe verdragen die nu tot stand komen zijn bedoeld om een aantal bestaande verdragen over hetzelfde thema te combineren of te actualiseren of te ontdoen van de tijdgeest.

Het belang en de waarde van internationale arbeidsverdragen is het volgende. De arbeidsnormen zijn een vangnet van arbeids- en sociale rechten met als oogmerk sociale rechtvaardigheid; normen ter bevordering van eerlijke welvaartsverdeling wereldwijd en een vangnet ter bevordering van gelijkheid van alle workers wereldwijd.

Bij de behandeling van de rapportages over verdragen werd, vooruitlopend op de volgende seminardagen, kort aangestipt dat dit nu precies de kwestie is waar het mis gaat met de Nederlandse Antillen en Aruba. Het gebeurt nogal eens dat er te laat of niet volledig gerapporteerd wordt. Het resultaat is dat er niet volledig getoetst kan worden door het Comité van Deskundigen. Regelmatig wordt Nederland in het eerder genoemde Comité in Genève als Koninkrijk op het matje geroepen omdat er niet volledig of niet tijdig is gerapporteerd door de Antillen of Aruba. De spreker benadrukt dat indien we de ILO serieus willen blijven nemen het van zeer groot belang is dat we tijdig en volledig rapporteren over de aangegane verplichtingen.

In de jaren 90 begon de discussie over de zogeheten fundamentele arbeidsnormen van de ILO. Fundamentele arbeidsnormen binnen het arsenaal van internationale arbeidsverdragen vormen een klein groepje van zeer belangrijke verdragen. Deze verdragen zijn dusdanig fundamenteel dat ieder land, alleen op grond van het lidmaatschap van de ILO, deze 8 verdragen zou moeten bekrachtigen en naleven. Het gaat hier om verdragen op het terrein van:

  • vrijheid van vakvereniging (No 87 en 98);
  • dwangarbeid (No 29 en 105);
  • kinderarbeid (No 138 en 182);
  • discriminatie (No 100 en 111).

De spreker maande de aanwezige politici aan om te overwegen in hoeverre medegelding van alle fundamentele arbeidsnormen haalbaar is. Immers het gaat om fundamentele verdragen waarin minimumnormen zijn vervat.

De tweede keynote spreker van de openingsmiddag is mevrouw Michele Jankanish. Zij is Senior Specialist van het ILO Subregional Office in Trinidad & Tobago. Mevrouw Jankanish geeft een korte inleiding omtrent de oprichting van de ILO. De ILO is de oudste van de organisaties van de Verenigde Naties en is opgericht in 1919. De ILO heeft een unieke tripartiete structuur bestaande uit regeringsvertegenwoordigers, de werknemersorganisa- ties en werkgeversorganisaties. De doelstelling is de bevordering van wereldwijde sociale rechtvaardigheid. In de Preambule van de ILO Constitution staat: “Universal and lasting peace can be established only if it is based upon social justice”.

De uitgangspunten in 1919 kunnen worden samengevat als het bewerkstelligen wereldwijd van sociale rechtvaardigheid door middel van internationaal arbeidsrecht. Later zijn de uitgangspunten nog eens opnieuw vastgelegd in de volgende bewoordingen:

arbeid is geen handelswaar;

vrijheid van vereniging is essentieel voor duurzame vooruitgang;

armoede die ergens te wereld heerst betekent een gevaar voor de voorspoed elders.

De arbeidsnormen (International Labour Standards) hebben een drietal functies:

bescherming voor de workers;

een raamwerk voor het bereiken van decent work en het scheppen van de daarbij behorende sociale en economische ontwikkelingen die het recht op werk eerbiedigen;

probleemoplossende instrumenten.

De spreker gaat vervolgens in op de wijze waarop deze arbeidsnormen tot stand komen. De lidstaten van de ILO worden door middel van questionnaires verzocht informatie over de situatie in hun land te verschaffen. De Regering geeft, na overleg met werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties, een antwoord. De verzochte informatie wordt in een second report samengevat en tijdens de Internationale Arbeidsconferentie in Genève ter discussie voorgelegd.

In juni 1998 is de zogeheten Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work aangenomen. De Declaratie is geen onderwerp van bekrachtiging en geeft ook geen nieuwe verdragsverplichtingen aan, maar is gebaseerd op de ILO Constitution en afgeleid van het lidmaatschap van de ILO zelf.

Er wordt ook aangegeven dat de Nederlandse Antillen en Aruba tot de zogeheten Non-metropolitan territories behoren: zij bezitten geen zelfstandig lidmaatschap van de ILO. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal in overleg met de regeringen van de Antillen en Aruba overgaan tot het aangaan van verdragsverplichtingen. Voor de Non-metropolitan territories worden de ILO-conventies indien gewenst medegeldig verklaard.

De rapportage aan de ILO geschiedt op jaarlijkse basis (artikelen 22 en 35 van de ILO Constitution). Er zijn twee manieren om aan de rapportageverplichting te voldoen: 1. simplified reports of 2. detailed reports. De rapportage dient vóór 1 september van elk jaar, na raadplegen van de sociale partners en goedkeuring door de Antillianse regering/ Arubaanse regering, naar het hoofdkantoor van de ILO in Geneve te worden verzonden. De rapportage wordt door het Committee of Experts on the Application of Conventions and Recommendations (CEACR) bekeken. Het Committee kan een zogeheten Direct Request aan de Regering van de lidstaat sturen of het Committee kan een zogeheten Observation maken. Deze laatste worden voorgelegd aan het Tripartiete Conference Committee waarna vervolgens voorlegging aan de Plenaire zitting van de International Labour Conference kan plaatsvinden. Dit is een situatie die elk land graag wil voorkomen.

Hierna werd kort aangekaart dat verdragsverplichtingen ook opgezegd kunnen worden. Bovendien kunnen klachten over niet-naleving van verdragsverplichtingen geschieden door een andere lidstaat, door de Governing Body of door een afgevaardigde (werkgevers- of werknemersorganisatie).

Na de presentaties van de deskundigen was er gelegenheid om vragen te stellen.

Na afloop van de openingszitting was er een receptie voor alle genodigden.

Dinsdag 25 januari 2005

De video ”Caribbean Voices Touching the World“ vormt een integraal onderdeel van de presentatie van mevrouw Michele Jankanish over de geschiedenis en de werkwijze van de ILO. Zij geeft aan dat het Committee of Experts een aantal Caribische gedelegeerden uit de verschillende geledingen heeft gekend en nog steeds telt. Deze vertegenwoordigers komen uit de hoek van de werknemersorganisaties, werkgeversorganisaties en andere prominente organisaties. Zij wijst voorts op een aantal factoren die het rapporteren door lidstaten tot een uitdaging maakt:

de noodzaak tot meer en betere statistische onderbouwing;

het opstellen van een plan van aanpak;

informatie verstrekken over de concrete praktijkinvulling;

geen respons op de observations van het Committee –dan een tripartiete discussie?

In voorafgaande jaren zijn de Caribische Labour Administration Officials overeengekomen dat zij op een tijdige wijze aan de rapportageverplichtingen van de ILO tegemoet zullen komen. Bovendien is overeengekomen dat zij de jaarlijkse ILO rapportage zullen gebruiken om de research en beleidsvorming op het nationale vlak te stimuleren.

Conform artikel 19 van de ILO Constitutie zal het Comité jaarlijks een studie maken over een specifiek onderwerp op grond van de verzamelde rapportages van alle lidstaten. Voor de Internationale Arbeidsconferentie 2005 staan de volgende punten op de agenda:

het bevorderen van werkgelegenheid voor jongeren (algemene discussie);

het vaststellen van een raamwerk voor het stimuleren van veiligheid en gezondheid op de werkvloer (nieuwe instrumenten) ;

de visserij (tweede lezing).

Heel kort wordt nog aangestipt dat er twee vormen van toezicht binnen de ILO bestaan: het reguliere toezicht en het speciale toezicht. Onder het reguliere toezicht valt de rapportageverplichting en de klachtenprocedure. Onder de speciale supervisie valt de speciale procedure betreffende de vrijheid van oprichting van vakverenigingen. Deze laatste vorm van toezicht gaat over rechtsgeschillen betreffende de schending van vakbondsrechten. De procedure kan worden opgestart onafhankelijk van een eventuele bekrachtiging van de betreffende conventie.

Marianne Grilk (van het Nederlandse Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) zal in haar bijdrage de toezichtsmechanismes van de ILO verder uitdiepen, maar eerst wordt door Alette van Leur de argumentatie voor ratificatie of opzegging van verdragen behandeld.

Mevrouw van Leur deelt twee checklists uit. De eerste gaat over de uitgangspunten en argumenten om een conventie wel of niet te bekrachtigen. De uitgangspunten bij bekrachtiging zijn ondermeer:

het is van belang om een verdrag te bekrachtigen als het daarin om een uit mondiaal oogpunt gezien wenselijke regeling gaat. De bekrachtiging draagt bij aan de totstandkoming van een breed gedragen internationale gedragscode. Het feit dat de nationale wetgeving verder reikt dan de minimumnorm in het verdrag is geen argument om het verdrag niet te bekrachtigen;

Internationale arbeidsverdragen zijn in het algemeen minimumnormen, dat wil zeggen dat ze basisvoorzieningen neerleggen en derhalve geen absolute normen zijn.

Mevrouw van Leur gaat ook in op de argumenten om een conventie niet te bekrachtigen:

implementatie van het verdrag brengt verhoudingsgewijs te veel administratieve lasten met zich mee;

het verdrag bevat een voor de nationale situatie ongewenst of moeilijk in te passen element (bijvoorbeeld de nationale wetgeving is in strijd met de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen);

het verdrag heeft betrekking op een in de Antillen of Aruba niet bestaande bedrijfstak of doelgroep (op grond van politieke motieven kan echter van dit beginsel worden afgeweken).

Mevrouw van Leur behandelt tevens een checklist voor opzegging van ILO-verdragen. Voor eventuele opzeggingen gelden algemene en specifieke uitgangspunten.

De algemene uitgangspunten voor wat betreft opzegging zijn ondermeer:

bij nieuwe regelgeving of wijziging van bestaande regelgeving dient altijd te worden getoetst aan bestaande internationale verplichtingen;

opzegging van verdragen dient uitzondering te blijven, het kan alleen als er echt geen andere oplossing is;

opzegging kan leiden tot internationaal gezichtsverlies.

De specifieke uitgangspunten bij opzegging van verdragen zijn ondermeer:

verdragen die fundamentele arbeidsnormen bevatten (mensenrechtenverdragen: 29, 87, 98, 105, 100, 111, 138 en 182) zullen in beginsel niet worden opgezegd;

opzegging is het meest vergaande, maar niet het enige middel om nationale beleidsruimte te creëren. Eerst dient bezien te worden of een aangepaste interpretatie van de bestaande verdragsteksten mogelijk is om de gewenste beleidsruimte te scheppen;

het feit dat de nationale wetgeving verder reikt dan de minimumnormen in het verdrag is geen argument om een verdrag op te zeggen;

in hoeverre een verdrag geacht kan worden bij te dragen aan de totstandkoming van een internationale arbeidscode dient mede in overweging te worden genomen. Is de bijdrage van een verdrag aan een internationale arbeidscode groot, dan ligt opzegging minder voor de hand.

Marianne Grilk gaat vervolgens in op de toezichtmechanismen van de Internationale Arbeidsorganisatie. Zonder toezichtmechanisme heeft het geen zin om afspraken met elkaar vast te leggen in verdragen. Daarnaast geeft de rapportage voor elk land individueel ook weer eens de gelegenheid om zelf te zien of het inderdaad allemaal wel goed geregeld is. Enige tijd geleden is besloten dat de lidstaten in principe alleen “simplified reports” hoeven op te stellen over de verdragen die aan de beurt zijn, behalve in geval van een “first report” of als er vragen zijn gesteld door het Comité van Experts. Een simplified report hoeft alleen de wijzigingen te vermelden gedurende de afgelopen rapportageperiode. Daarnaast heeft de ILO besloten de verdragen waarover binnen een rapportagecyclus gerapporteerd moet worden te clusteren. Dat wil zeggen dat we moeten rapporteren over gelijksoortige thema’s zoals arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen, sociale zekerheid. Dit jaar zijn de maritieme verdragen aan de beurt.
Uiteraard moet er gerapporteerd worden over de fundamentele verdragen die aan de beurt zijn, je moet immers elke twee jaar over de fundamentele verdragen rapporteren. Het is uitermate belangrijk om de vragen van het comité zo goed mogelijk te beantwoorden. Een direct request is redelijk onschuldig, dat is gewoon een vraag van het comité van experts om nadere informatie of een extra toelichting of een boodschap dat ze op de hoogte gehouden willen worden van een bepaalde ontwikkeling in een land. Een observation is een ander verhaal, dit is een constatering van het Comité van deskundigen dat een land bij herhaling of voortdurend niet of niet voldoende aan de verdragsverplichting voldoet. In de eerste week van de jaarlijkse conferentie stelt het applications comité een lijst op van gevallen die op de plenaire zitting van het comité behandeld zullen worden. Dit zijn vaak landen die bij herhaling ernstige bepalingen uit verdragen schenden, bijvoorbeeld op het terrein van mensenrechten, vakbondsrechten en arbeidsrechten, zoals Birma (Myanmar).

Rapportage formulieren kennen de volgende onderdelen:

vragen over wetgeving en overige regelgeving;

vragen over inhoud van het verdrag;

vragen over controle op naleving;

vragen inzake rechterlijke uitspraken;

overige aspecten zoals statistische gegevens;

consultatie sociale partners.

Buiten de rapportage heeft de ILO nog een toezichtsmechanisme n.l. de klachtenprocedures volgens de artikelen 24 tot en met 34 van de ILO Constitutie. Daarnaast is een klachtenprocedure die uitsluitend klachten ten aanzien van de vrijheid van vakvereniging behandeld (freedom of association procedures: CFA).

Na de lunchbreak geeft mevrouw Els (Directie Arbeidszaken) aan hoe de verdragspraktijk op de Antillen is. Naar voren wordt gebracht dat de praktijk enigszins afwijkt van wat in voorgaande presentaties is betoogd. Moeilijkheden die door de Directie Arbeidszaken worden ondervonden zijn debet aan het idee om dit seminar te organiseren. Een aantal knelpunten, met name het uitblijven van informatie door de berichtgevers en het gebrek aan priorteitstelling van de internationale arbeidsrechtelijke verplichtingen, passeren de revue. Ook wordt in het kader van de toepassing en naleving van ILO conventie 87 een concreet voorbeeld besproken.


Casus rapportage
De deelnemers worden in drie werkgeroepen met elk een tripartiete samenstelling onderverdeeld. Elke groep krijgt de opdracht op basis van de ILO verdragen 87 (vrijheid van vakvereniging en het recht zich te organiseren), 88 (employment service convention) en 144 (tripartite consultation) een rapportage voor hun rekening te nemen. De presentaties van de verschillende groepen en de terugkoppeling vanuit de werkgroepen (welke problemen komt men tegen) vinden op woensdagochtend plaats.

Einde dagzitting.

Woensdag 26 januari 2005

De presentaties van de verschillende groepen blijken voor de deelnemers zelf een eye opener te zijn. De groepen hebben er werk van gemaakt en leveren zelfs presentaties in PowerPoint. Elke groep heeft een notulist en een presentator aangewezen. Na afloop van de presentaties over de casus, blijkt dat de deelnemers dit als het meest waardevolle onderdeel van het dinsdagprogramma hebben ervaren.

Daarna is er een korte internetsessie door mevrouw Grilk over de ILO en het Raad van Europa (Europees Sociaal Handvest, ESH) sites Dit bleek zeer verhelderend. Zij deelde na de presentatie een lijst uit met de meest voorkomende onderdelen van de websites van de ILO en de RvE.

Mevrouw Grilk gaat vervolgens in op de wijze waarop een ESH rapportage dient te worden opgesteld. Het ESH is een mensenrechtenverdrag van de Raad van Europa en bevat sociale grondrechten, die door de verdragstaten middels regelgeving en beleid moeten worden nageleefd. Bij de rapportage kunnen ook rechterlijke uitspraken of collectieve arbeidsovereenkomsten een rol spelen. Toezicht op naleving van het ESH vindt plaats d.m.v. een rapportage-procedure. Ook bestaat er een zogeheten collectieve klachtenprocedure. De Nederlandse Antillen en Aruba rapporteren over de kernbepalingen: artikelen 1 (right to work), 5 (right to organize), 6 (right to collective bargaining) en 16 (right of the family to social, legal and economic protection). Er worden een aantal richtlijnen opgesteld waaran de rapportage moet voldoen: er moet een geheel nieuwe rapportage worden gemaakt, beschreven moet worden de situatie die gold tijdens de rapportageperiode en elke vraag van het report form moet worden beantwoord.

Een rapportage kent 3 onderdelen:

standaardvragen op het rapportage-formulier;

de reacties op de negatieve conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten (het toezichtsorgaan van het ESH);

alle vragen die naar aanleiding van de vorige rapportage zijn gesteld door het Europees Comité voor Sociale Rechten.

Aandacht dient besteed te worden aan juridische normen, de feitelijke situatie, voorzieningen in en buiten rechte voor het aanhangig maken van schendingen van de verdragsrechten, etc.

Tot slot wordt een lijst behandeld waarop de ILO-verdragen en de artikelen uit het ESH vermeld staan die inhoudelijk min of meer met elkaar overeenkomen. Net als bij de behandeling van de ILO verdragen passeren de toezichtprocedures onder het Europees Sociaal Handvest de revue.

Het Europees Sociaal Handvest van 1961 is een verdrag van de Raad van Europa. De Raad van Europa zetelt in Straatsburg (Frankrijk). In 1988 is het ESH aangevuld met een viertal rechten in deel II van het Aanvullend Protocol. De Nederlandse Antillen en Aruba zijn aan de reeds vermelde artikelen 1, 5, 6 en 16 en tevens aan het Aanvullend protocol gebonden. In 2005 dient opnieuw gerapporteerd te worden. Voor Aruba bestrijkt de rapportageverplichting de periode 2003-2004, voor de Nederlandse Antillen de periode van 2001-2004. In 1991 kwam het zogeheten Wijzigingsprotocol tot stand. Dit is door 21 staten (waaronder Nederland) bekrachtigd, maar is nog niet in werking getreden. Het Tweede Aanvullend Protocol betreffende een collectief klachtensysteem is eveneens tot stand gekomen. In Nederland is het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het coördinerende departement ten aanzien van het ESH.

Besproken worden vier stadia van de rapportageprocedure:
De eerste betreft een periodieke rapportage, waarbij over de zogenaamde kernbepalingen van het ESH (art. 1, 5, 6, 12,13, 16 en 19) moet worden gerapporteerd. Een exemplaar van de ingediende rapportage moet op grond van het verdrag voorgelegd worden aan de sociale partners;
Het tweede stadium betreft de beoordeling door het Comité voor Sociale Rechten. De rapporten worden op juridische gronden beoordeeld. De bevindingen worden in conclusies vastgelegd. Negatieve conclusies houden in dat de desbetreffende nationale situatie niet in overeenstemming met het verdrag wordt bevonden. Behalve negatieve en positieve conclusies zijn er de zogeheten uitgestelde conclusies wanneer de Commissie nog geen oordeel kan geven over de verenigbaarheid van de nationale situatie met het verdrag;

De derde stadium betreft de beoordeling op beleidsmatige gronden in het Regeringscomité. Het Regeringscomité behandelt alleen de negatieve conclusies en de meest dringende uitgestelde conclusies. Het Regeringscomité heeft de bevoegdheid voorstellen tot het nemen van aanbevelingen te doen aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Soms wordt volstaan met een intern middel: de waarschuwing. De verdragsstaat krijgt dan nog een paar jaar de tijd om de situatie in overeenstemming met het verdrag te brengen. Een lidstaat kan tijdens het regeringscomité uitleg geven over de nationale situatie (een soort verdediging) in de hoop een negatieve conclusie te voorkomen;

Het vierde stadium is dat van het politieke oordeel door het Comite van Ministers.

In de Collectieve Klachtenprocedure wordt door de verdragsstaat erkend dat de internationale organisaties van werkgevers en werknemers, nationale werkgevers- en werknemersorganisaties en internationale NGO’s tot het indienen van klachten bevoegd zijn. Indien de klacht ontvankelijk wordt verklaard beslist het Comite van Ministers of er al dan niet een aanbeveling aan de verdragsstaat moet worden gericht.

De heer Henk ten Napel (Directeur van de Directie Arbeidszaken) geeft enige recente consequenties aan van internationale verdragen voor het beleid van de Nederlandse Antillen.

Aan de hand van onder meer opmerkingen van de toezichtsorganen van de Raad van Europa werden de volgende beleidspunten geïnitiëerd:

verruiming van het SER lidmaatschap tot burgers met andere nationaliteiten dan de Nederlandse;

verandering van de vergoeding voor overwerk op de rustdag;

een studie naar de mogelijkheid tot invoering van een algemener systeem van family benefits;

verdere bescherming van het gezin (bijv. kinderopvang);

invoering van anti-discriminatiebepalingen op het gebied van arbeid;

het afschaffen van de ontslaggrond “revolutionaire gezindheid” van ambtenaren;

opheffen van de wettelijke beperking van het stakingsrecht van ambtenaren;

het afschaffen van de strafbepalingen op werkweigering door schepelingen;

garantie van vakbondrechten voor schepelingen;

het opnemen van clausules betreffende arbeidsnormen in contracten met de overheid;

voorstellen tot verandering van de naam van de PP-kaart.

De heer ten Napel liet zien hoe de toezichtsorganen het beleid (of het gebrek hieraan) aankaarten en op welke wijzen getracht wordt hieraan gehoor te geven door verandering van wetgeving, beleid en andere richtlijnen.

Een tweede inleiding van Henk ten Napel getiteld ”Het belang van cijfermatige onderbouwing van verdragsrapportages” werd gezien het krappe tijdschema overgeslagen. Deze werd aan de deelnemers ter kennisneming uitgedeeld.


ILO conventie 122 (woensdagmiddag)

ILO conventie 122 is een zogenaamde “promotional convention”. Het gaat om een inspanningsverplichting die een lidstaat bij bekrachtiging van het verdrag op zich neemt. Lidstaten kunnen volstaan met het nationale werkgelegenheidsbeleid aan te geven. Het is voor de ILO moeilijk deze verdragen te toetsen. Dit in tegenstelling tot de zogeheten normatieve verdragen.
Mevrouw Alette van Leur deelt hierover twee handouts uit:

het Nederlandse Nationaal Actieplan Werkgelegenheid 2004. In dit plan worden ieder jaar opnieuw werkgelegenheidsrichtsnoeren vastgelegd, gericht op het behalen van de de zogeheten “Lissabondoelstelling“. Het ligt in de bedoeling de Europese Unie in 2010 tot de meest concurrerende regio van de wereld te maken, in staat tot duurzame groei met meer en betere banen en hechtere sociale samenhang;.

Een stuk over de Nederlandse aanpak van de jeugdwerkloosheid werd ter informatie uitgereikt.

Vervolgens zijn er presentaties over het werkgelegenheidsbeleid van Curaçao, Sint Maarten en Aruba. Voor Curaçao worden presentaties verzorgd door de heren Ramon Chong (Hoofd van de Dienst Economische Zaken) en Kenneth Barbara van de Dienst Werk en Inkomen.
De heer Chong geeft aan dat het arbeidsmarktbeleid van Curaçao nog in de kinderschoenen staat en dat er onvoldoende gedaan wordt aan afstemming van vraag en aanbod. Het algemeen beleid is met name gericht op het bevorderen van investeringen door middel van het aantrekken van risicodragend kapitaal. De Curaçao Economic Development Board heeft daartoe sleutelsectoren geïdentificeerd, waaronder naast natuurlijk toerisme, transnational education. Voor deze laatste bedrijfstak worden ook belastingfaciliteiten, vergelijkbaar met die in economische zones, aangeboden. Er is een crash course voor de horeca geweest, gericht op jonge laaggeschoolde werkzoekenden. Gezien het feit dat meer dan 60 procent van de werkgelegenheid in het MKB zit, zijn er een aantal projecten en regelingen op deze sector gericht zoals training grant scheme, SESNA, e Fondo en de PUM regeling. Chong geeft aan in zijn presentatie bewust over de informele sector gezwegen te hebben.

De heer Barbara stelt dat de Dienst Werk en Inkomen veel aandacht schenkt aan opleiding en training gericht op opname van het individu in het arbeidsproces. Het uitgangspunt is dat wie kan werken, moet werken. Zijn dienst heeft ongeveer 5000 werkzoekenden geregistreerd waarvan slechts een zeer beperkt deel direct plaatsbaar is, terwijl het merendeel zeer laag geschoold is, geen werkervaring heeft en weinig arbeidsethos bezit. Met behulp van diverse organisaties wordt gepoogd daar verandering in te brengen onder meer door training en begeleiding van groepen en de z.g. leer-werktrajecten. Daarbij is het streven dat er ongeveer 1000 cliënten per jaar aan dit soort interventies deelnemen. In werkelijkheid worden er de laatste jaren ongeveer 600 gehaald. Een andere activiteit van zijn dienst is het opzetten van een vacaturebank.

Het werkgelegenheidsbeleid op Aruba wordt door de heer Anthony Lee-Riviears (Directie Arbeid & Onderzoek, Aruba) gepresenteerd. Als beginsituatie werd de sluiting van de Lago olieraffinaderij genomen. Door die sluiting gingen 900 banen verloren en als gevolg hiervan raakten bij de toeleveringsbedrijven nog eens 1300 mensen hun werk kwijt. In de daaropvolgende jaren onstond een grote economische groei door de investeringen en drastische uitbreiding van de capaciteit van de hotelsector. De lokale arbeidsmarkt kon de vraag naar arbeidskrachten niet aan en het werd noodzakelijk om op grote schaal arbeidskrachten te importeren. Circa een derde deel van de Arubaanse beroepsbevolking bestaat uit buitenlanders. Aan de aanbodzijde (werknemers) wordt meestal aandacht besteed aan de kwaliteit van de arbeid door gericht onderwijs en on the job training. De Directie Arbeid en Onderzoek heeft een initiërende rol. Voor wat de legale buitenlanders betreft wordt door de DINA een werkvergunning voor een jaar verleend. Na afloop van de arbeidsovereenkomst, wordt de immigrant geacht het land te verlaten. Er is echter geen controle op de naleving. Over de illegale groep buitenlanders kan weinig of niets worden gezegd. Deze groep verricht economische activiteiten buiten het reguliere economische verkeer, waardoor een goede schatting van de omvang ervan moeilijk is te geven.

Ook Aruba voert, evenals Sint Maarten, een restrictief toelatingsbeleid. Behalve verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten worden vreemdelingen slechts toegelaten als met hun aanwezigheid een wezenlijk Arubaans doel gediend is. De consequenties van de migratie voor de arbeidsmarkt zijn niet uitgebleven. De Arubanen zijn veelal vanuit lagere functies doorgestroomd naar het middenniveau, maar de groep lokale werknemers die deze sprong niet heeft kunnen maken, mag niet uit het oog worden verloren. Mogelijkheden voor inpassing in het arbeidsproces middels scholing dienen serieus onderzocht te worden.

De Directie Arbeid en Onderzoek (Aruba) is vanaf 1 juni 2004 geherstructureerd. De structuur is gericht op het voeren van een gedegen arbeidsmarktbeleid en is onderverdeeld in:

een beleidsgedeelte (directeur en directie staf);

een onderzoeksgedeelte (Bureau Onderzoek en Ontwikkeling, waaronder ook ILO aangelegenheden vallen);

een uitvoeringsgedeelte (het Bureau Landsbemiddelaar, Arbeidsvoorziening, Inspectie Arbeidswetgeving).

Herstructureren is het middel om de nieuwe beleidsfilosofie uit te kunnen voeren, en het gebrek aan cijfers en achterstand in het te leveren product op te lossen.

De heer Miguel de Weever (Sint Maarten) geeft aan wat de verwachtingen zijn voor de economische groei van Sint Maarten. Hij geeft aan dat de belangrijkste economische pijler het toerisme is; het aantal stay-over arrivals in 2003 en 2004 uit de VS, Zuid-Amerika, Europa en het Caribisch gebied is gestegen. Dit alles wordt met cijfermateriaal onderbouwd. Ook het aantal zakelijke vestigingsvergunningen en bouwvergunningen geven een stijgende lijn aan.

Ook het economisch beleid van Sint Maarten passeert de revue. Het uitgangspunt is een open markt. In de toekomst zal worden gestreefd naar diversificatie van de economie. Het werkgelegenheidsbeleid van Sint Maarten stoelt op artikel 1 van het ESH.

De heer Boasman van de Sint Maartense Dienst Zorg en Arbeid gaat nader in op het werkgelegenheidsbeleid. De totale werkloosheid bedraagt volgens eigen registratiegegevens 2.2%, maar de arbeidskrachtenonderzoeken komen op veel hogere percentages uit. De volgende onderdelen van het beleid komen achtereenvolgens aan de orde: arbeidsbemiddeling, training en scholing, arbeidsomstandigheden, incentives, beleid ten aanzien van buitenlandse arbeidskrachten (werkvergunningen) en minimumlonen.

Om het scholingsniveau van de werklozen te upgraden worden de volgende instrumenten aangewend:

Career guidance counseling;

Labour market oriented scholarships;

Adult education;

Training for the unemployed.

Ten aanzien van de toelating en uitzetting van vreemdelingen wordt een stringenter toelatingsbeleid met dienovereenkomstige controles door de autoriteiten beoogd. Helaas moest door de tijdsgebrek de presentatie van de heer Boasman in versneld tempo afgerond worden.

Op woensdagavond werd in de aula van de Universiteit van de Nederlandse Antillen voor een breed publiek een tweetal lezingen gehouden:
De ILO, internationale arbeidsverdragen en de daaruit voortvloeiende internationale normen, door Michele Jankanish;
De reikwijdte van de arbeidsrelatie in de globale economie, door Alette van Leur.
Met name de lezing van mevrouw van Leur bevatte een volledig nieuw onderwerp en was ook voor de seminardeelnemers zeer de moeite waard. Ingegaan werd op pogingen in de ILO om tot een instrument te komen tot regulering van de sterk opgekomen flexibele arbeidsrelaties. Daarbij bleek het helaas niet mogelijk om zelfs in ILO verband werkgevers en werknemers op één lijn te krijgen ten aanzien van dit onderwerp. Juist gezien de enorme vlucht die dit soort relaties hebben genomen is het van groot belang dat pogingen worden ondernomen om werknemers die onvrijwillig in dit soort relaties terechtkomen te beschermen.

Donderdag 27 januari 2005

Invulling van ILO conventie 144, betrokkenheid sociale partners.
Volgens Michele Jankanish beschrijft de conventie 5 onderwerpen waarover consultatie (raadpleging) plaats dient te vinden:

onderwerpen die op de agenda van de ILC staan;

onderwerpen van nieuw aangenomen ILO conventies ter ratificatie of tenuitvoerlegging;

heroverweging van niet-geratificeerde verdragen;

de jaarlijkse ILO rapportage;

opzegging van een verdrag.

Marianne Grilk geeft aan op welke wijze men in Nederland met de tripartiete raadplegingsprocedures in het kader van ILO conventie144, omgaat. Nederland heeft 3 keer per jaar regulier overleg. Daarnaast wordt er ook ad hoc vergaderd. Dit is het geval bij regionale conferenties en op verzoek van een van de drie partijen. De overheid maakt van elke bijeenkomst een verslag. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Internationale Zaken, maakt een jaarplan waarin de afspraken worden opgenomen.

Anthony Lee Riviears geeft aan hoe Aruba in 2003 de tripartiete commissie nieuw leven inblies. De commissie is bij landsbesluit ingesteld (12 augustus 2003). De nieuwe Tripartiete Overlegcommissie Internationale Arbeidsaangelegenheden bestaat uit 9 leden. Zij zijn verantwoordingsplichtig aan de ministerraad door één keer per jaar een verslag van haar werkzaamheden uit te brengen. De vergaderfrequentie is minstens één keer per jaar. De commissievergadering vindt geen doorgang indien er geen quorum is. Tot slot wordt door de heer Lee benadrukt dat de tripartiete benadering en de sociale dialoog in de toekomst een traditie van sociale vrede met zich mee moet brengen die gebaseerd is op vrije onderhandelingen, sociale rechtvaardigheid, economische ontwikkeling en groei.

Het seminar wordt gesloten aan het eind van de woensdagochtend. De organisatoren en deelnemers spreken hun tevredenheid uit over het verloop van het seminar. De inleiders worden bedankt voor hun grote inzet en ontvangen een aandenken aan Curaçao. Voor de beleving door de deelnemers zie het volgende deel van dit verslag.

Op vrijdagochtend was er bij de Directie Arbeidszaken een zogenaamd Koninkrijksoverleg tussen Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen over de stand van zaken met betrekking tot internationale arbeidsverdragen. Dit overleg vindt normaliter twee keer per jaar in Den Haag plaats.
Op vrijdagmiddag werd door mevrouw van Leur een introductie over maritieme ILO verdragen verzorgd ten behoeve van het personeel van de Directie Scheepvaart en Maritieme Zaken.


Vervolg: evaluatie seminar door deelnemers