14
FLEXIBILISERING VAN DE ARBEIDSWETGEVING
Inhoudsopgave
1 Flexibiliteit
arbeidsrecht
1.1
Afschaffing concurrentiebeding
1.2
Vereenvoudiging opzegtermijnen
1.3
Versoepeling opzeggingsdag
1.4
Verlenging maximale uitzendduur
1.5
Openstelling particuliere arbeidsbemiddeling
2 Zekerheden
arbeidsrecht
2.1
Afschaffen mondelinge proeftijd
2.2
Verplichting loonstrook
2.3
Weerlegbare rechtsvermoedens bij deeltijdarbeid en oproepcontracten
2.4
Minimale betaling per oproep in geval van o.a. nuluren- en oproepcontracten
2.5
Introductie opzeggingsverboden bij ziekte, zwangerschap, bevalling
en huwelijk
2.6
Introductie opzeggingsverbod wegens vakbondslidmaatschap cq vakbondsactiviteiten
3 Kettingsystematiek
in geval van kortlopende contracten
4 Arbeidsregeling
2000
4 .1 Wat regelt de Arbeidsregeling 2000?
4 .2 Enkele verschillen met de Arbeidsregeling 1952
4 .3 Schemawerkers / niet-schemawerkers
4 .4 Arbeidsduur (exclusief overwerk)
4 .5 Werktijden en rusttijden
4 .6 Pauze
4 .7 Overwerk
4 .8 Nachtdienst
4 .9 Stand-by dienst (consignatie)
4 .10 Vol-continu dienst
4 .11 Administratieve verplichtingen van de werkgever
4 .12 Datum inwerkingtreding en overgangsregelingen
5 Huishoudelijk
personeel
Gebruikte afkortingen
BW Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen
Ten geleide
In deze folder
vindt u een overzicht van de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen
in het arbeidsrecht, zoals neergelegd in een drietal landsverordeningen
in het kader van de flexibilisering van de arbeidswetgeving.
Genoemde drie
landsverordeningen zijn:
Landsverordening
flexibilisering van de arbeidswetgeving (P.B. 2000 no. 68)
Landsverordening
houdende wijziging van de Landsverordening minimumlonen (P.B. 2000
no. 69)
Landsverordening
Arbeidsregeling 2000 (P.B. 2000 no. 67)
De
wijzigingen moeten worden gezien tegen de achtergrond van het streven
naar een flexibele arbeidsmarkt. Flexibeler bepalingen in de arbeidswetgeving
maken daarvan onderdeel uit. Naast de nodige flexibiliteit, mag
echter de nodige bescherming van de zwakkere partij in de relatie
werknemer-werkgever niet uit het oog worden verloren. Derhalve zijn
ook beschermende bepalingen ten aanzien van de meest kwetsbare werknemers
opgenomen. Hiermee wordt inhoud gegeven aan beide onderdelen van
het motto “flexibiliteit en zekerheid”.
In de navolgende
onderdelen van het pakket worden steeds de oude en de nieuwe regeling
tegen elkaar afgezet. Ook wordt ingegaan op de eventuele overgangsregeling.
De wijzigingen
betreffende arbeidsduur, arbeidstijden en overwerk (Arbeidsregeling
2000) worden eveneens inhoudelijk aangestipt. Daarbij wordt echter
niet per onderdeel aangegeven wat de situatie onder de oude Arbeidsregeling
1952 was. In een aparte paragraaf worden de verschillen tussen beide
regelingen wel aangegeven (onderdeel 5.2).
1.
Flexibiliteit arbeidsrecht
1.1
Afschaffing concurrentiebeding
Een
concurrentiebeding is een beding waarbij de werknemer beperkt wordt
om na het einde van de dienstbetrekking op zekere wijze werkzaam
te zijn, veelal op straffe van een boete. Het beding dient om de
werkgever tegen (oneerlijke) concurrentie van de voormalige werknemer
te beschermen.
Oude
regeling
Een
concurrentiebeding is toegestaan en in de wet worden er bepaalde
voorwaarden en beperkingen aan gesteld.
Nieuwe
regeling
Een concurrentiebeding
is m.i.v. 1-8-2000 nietig. De werkgever kan zich er niet op beroepen.
Mocht een werknemer na afloop van de dienstbetrekking als concurrent
van de werkgever optreden, terwijl hij daarbij op onrechtmatige
wijze gebruik maakt van zijn arbeidsverleden bij de voormalige werkgever,
dan kan de werkgever wèl schadevergoeding vorderen wegens
oneerlijke concurrentie (onrechtmatige daad). Ook kan bij de rechter
een verbod van verdere oneerlijke concurrentie worden gevraagd.
Een
beding dat de werknemer verbiedt om tijdens de dienstbetrekking
'concurrerende' activiteiten te ontplooien blijft wel mogelijk.
Doel
Bevorderen van de mobiliteit van werknemers.
Wettekst:
Artikel 1613v BW.
1.2
Vereenvoudiging opzegtermijnen
Oude
bepalingen
De opzegtermijn
bedraagt in beginsel één betaalperiode (weekloners:
1 week, quincenaloners: 1 quincena, maandloners: 1 maand), en kan
- indien niets anders is overeengekomen - worden verlengd op grond
van het aantal dienstjaren van de werknemer.
Nieuwe
bepalingen
OPZEGTERMIJN
WERKGEVER
De door
de werkgever m.i.v. 1-8-2000 in acht te nemen opzegtermijn is afhankelijk
van de duur van het dienstverband en bedraagt bij een dienstbetrekking
die op de dag van opzegging:
a.
korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b.
vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee
maanden;
c.
tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd:
drie maanden;
d.
vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
In
geval van individueel ontslag na toestemming van de directeur alsmede
in geval van collectief ontslag mag de termijn voor behandeling
van het verzoek cq voor beoordeling van het afvloeiïngsplan
door de directeur van de Directie Arbeidszaken van de opzegtermijn
worden afgetrokken, mits de resterende opzegtermijn ten minste één
maand blijft bedragen.
De
opzegtermijn voor de werkgever mag alleen bij collectieve arbeidsovereenkomst
worden verkort. Verlenging kan bij schriftelijke overeenkomst.
Bij
voortgezette dienstbetrekkingen (binnen drie maanden) wordt de opzegtermijn
berekend door voor de vaststelling van duur van de arbeidsovereenkomst
uit te gaan van de ingangsdatum van de eerste dienstbetrekking.
Dit geldt ook indien een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
is opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. (Zie
voor “voortgezette dienstbetrekking” onderdeel 3.)
OPZEGTERMIJN
WERKNEMER
De opzegtermijn
voor de werknemer (zowel voor maand-; week- als quincenaloners)
bedraagt m.i.v. 1-8-2000 één maand. Deze termijn kan
bij schriftelijke overeenkomst worden verkort of verlengd. De opzegtermijn
voor de werknemer mag echter niet tot langer dan zes maanden worden
verlengd.
Doel
Vereenvoudigen van de ontslagregels.
Wettekst:
Artikelen 1615i ,1615e en 1615 fa BW.
1.3
Versoepeling opzeggingsdag
De
opzeggingsdag is de dag waarop de arbeidsovereenkomst als gevolg
van opzegging eindigt (dus niet de dag waarop de opzegging plaatsvindt!).
Oude
regeling
De
opzeggingsdag is de dag, bij overeenkomst of gebruik bepaald. In
de praktijk betekent dit dat meestal de laatste dag van een betaaltermijn
als opzeggingsdag geldt. Hierdoor duurt de feitelijke opzegtermijn
meestal behoorlijk langer dan de formele opzegtermijn. Voorbeeld:
de werkgever stuurt op 18 januari een brief naar de werknemer waarin
hij mededeelt de arbeidsovereenkomst door opzegging te beëindigen.
Bij een opzegtermijn van een maand is de opzeggingsdag in dat geval:
28 februari (= laatste dag van de maand) en niet 18 februari. De
feitelijke opzegtermijn duurt daardoor 10 dagen langer dan de formele
opzegtermijn.
Nieuwe
regeling
M.i.v.
1-8-2000 kan er tegen iedere dag worden opgezegd, tenzij (schriftelijk)
anders wordt overeengekomen. De situatie is nu dus omgedraaid: wordt
niets geregeld dan kan opzegging tegen elke dag plaatsvinden. Bijvoorbeeld:
op 18 januari vindt de opzegging plaats; bij een opzegtermijn van
één maand eindigt de arbeidsovereenkomst met ingang
van 19 februari.
Doel
Verkorten van de feitelijke opzegtermijn (voorzover partijen dat
wensen).
Wettekst:Artikel
1615h, eerste lid, BW.
1.4
Verlenging maximale uitzendduur
Oude
regeling
Uitzendkrachten
mogen voor ten hoogste zes maanden aan dezelfde inlener ter beschikking
worden gesteld. Terbeschikkingstellingen die elkaar opvolgen binnen
31 dagen gelden als één terbeschikkingstelling.
Nieuwe
regeling
Uitzendkrachten
mogen m.i.v. 1-8-2000 voor ten hoogste 12 maanden aan dezelfde inlener
ter beschikking worden gesteld.
Terbeschikkingstellingen
die elkaar opvolgen binnen 3 maanden gelden als één
terbeschikkingstelling (hetzelfde geldt voor de zogenaamde draaideur-constructies).
Na afloop van een terbeschikkingstelling kan na verloop van 3 maanden
weer een terbeschikkingstelling van dezelfde uitzendkracht aan de
voormalige inlener plaatsvinden.
Let
wel: overschrijding van deze termijnen heeft geen gevolgen voor
de arbeidsrelatie tussen uitzendkracht en uitzendbureau. De arbeidsovereenkomst
van de uitzendkracht ondergaat geen wijziging. De uitzendbureau
stelt zich echter wel bloot aan sancties van het eilandgebied.
Doel
Bevorderen gebruik uitzendkrachten.
Wettekst:Artikel
6 Landsverordening op het ter beschikking stellen arbeidskrachten
(deze Landsverordening geldt nog steeds alleen voor het eilandgebied
Curaçao).
1.5
Openstelling particuliere arbeidsbemiddeling
Oude
regeling
Particuliere
arbeidsbemiddeling is verboden, behoudens een vergunning van het
Bestuurscollege.
Nieuwe
regeling
Particuliere
arbeidsbemiddeling is m.i.v. 1-8-2000 toegestaan.
Doel Bevorderen
van mobiliteit van werknemers.
2. Zekerheden arbeidsrecht
2.1 Afschaffen mondelinge proeftijd
Gedurende
een proeftijd kunnen werkgever en werknemer op ieder moment de arbeidsovereenkomst
beëindigen, zonder een opzegtermijn in acht te nemen of de
reden van beëindiging kenbaar te maken.
Oude
regeling
Een
proeftijd kan zowel mondeling als schriftelijk worden overeengekomen.
Nieuwe
regeling
M.i.v.
1-8-2000 is een proeftijdbeding alleen geldig indien dit schriftelijk
is overeengekomen. Het bestaan ervan kan dus alleen via een schriftelijke
overeenkomst tussen werkgever en werknemer worden aangetoond. De
maximale duur van een proeftijd blijft twee maanden.
Doel
Voorkomen van onzekerheid omtrent het bestaan van een proeftijd.
Wettekst:Artikel
1615n BW.
2.2
Verplichting loonstrook
Oude
regeling
Onder de oude regeling bestond geen expliciete wettelijke verplichting
tot verstrekking van een loonstrook aan de werknemer.
Wel bestaat
de verplichting van de werkgever om per kalenderjaar een opgave
van het over dat jaar verdiende loon en de ingehouden belastingen
en premies aan de werknemer te verstrekken (de loonbelastingkaart).
Nieuwe
regeling
M.i.v.
1-8-2000 is de werkgever verplicht bij elke loonbetaling de werknemer
een schriftelijke loonspecificatie (loonstrook) te verstrekken.
De
loonstrook moet het volgende vermelden:
- het
loonbedrag en de bedragen waaruit dit is samengesteld
-
alle bedragen die op het loonbedrag zijn ingehouden
-
het voor de werknemer geldende minimumloon op grond van de Landsverordening
Minimumlonen
-
de naam van de werkgever en van de werknemer
-
de datum van indiensttreding
-
de termijn waarover het loon is berekend
-
de overeengekomen arbeidsduur (aantal werkuren per week of maand.
NB: bij een oproep-/nulurencontracten etc. is deze variabel).
Doel
Informatieverschaffing
aan werknemers over loon en inhoudingen en versterken van rechtspositie
van werknemers (m.n. in de bewijssfeer).
Wettekst:
Artikel 1614pa BW.
2.3
Weerlegbare rechtsvermoedens bij deeltijdarbeid / oproepcontracten
Een
weerlegbaar rechtsvermoeden houdt in dat, indien zich bepaalde omstandigheden
voordoen, de rechter er voor de toepassing van de betreffende wettelijke
bepaling vanuit moet gaan dat de rechtspositie, zoals in die bepaling
omschreven, juridisch de juiste is, maar dat de tegenpartij met
tegenbewijs mag aantonen dat de juridische positie anders is dan
'vermoed' wordt.
Oude
regeling
Er
bestaan geen rechtsvermoedens ten aanzien van het bestaan van een
arbeidsovereenkomst of de omvang van de bedongen arbeid.
Nieuwe
regeling
Rechtsvermoeden
dat een arbeidsovereenkomst bestaat
M.i.v. 1-8-2000
wordt vermoed dat een arbeidsovereenkomst bestaat, indien een persoon
ten behoeve van een ander tegen beloning gedurende drie opeenvolgende
maanden, wekelijks tenminste acht uren dan wel gedurende tenminste
35 uren per maand, arbeid verricht. Als de werknemer kan aantonen
dat zijn situatie voldoet aan de genoemde criteria, bijvoorbeeld
door het overleggen van (loon) betalingsbewijzen, dan moet worden
uitgegaan van een arbeidsovereenkomst, tenzij de werkgever het tegendeel
kan bewijzen.
Rechtsvermoeden
omtrent de afgesproken Arbeidsduur
Indien
een arbeidsovereenkomst, waarbij geen vaste arbeidsduur is afgesproken
(bijvoorbeeld een nulurencontract of een min-/maxcontract) ten minste
drie maanden heeft geduurd, wordt m.i.v. 1-8-2000 het aantal gewerkte
uren in de vierde maand vermoed gelijk te zijn aan het gemiddelde
aantal gewerkte uren in de drie voorafgaande maanden.
Bijvoorbeeld:
heeft een werknemer in de maanden januari tot en met maart gemiddeld
100 uur per maand gewerkt, dan moet ervan uit worden gegaan dat
hij ook in april 100 uur heeft gewerkt en kan hij dus een loon voor
100 uur claimen, tenzij de werkgever kan aantonen - bijvoorbeeld
middels prikklokkaarten - dat in de betreffende maand minder is
gewerkt dan in de drie voorafgaande maanden en dat er bovendien
een "no work, no pay"-afspraak is gemaakt.
Doel
Versterken van rechtspositie van werknemers met een flexibel contract.
Wettekst:Artikelen
1613ca en 1613cb BW.
2.4
Minimale betaling per oproep in geval van o.a. nul-uren- en oproepcontracten
Oude
regeling
Ten
aanzien van mensen met een nul-urencontract of oproepcontract gelden
geen bijzondere bepalingen.
Nieuwe
regeling
Indien
een werknemer met een nul-urencontract, een oproepcontract of een
deeltijdcontract van minder dan 15 uur per week op een bepaalde
dag wordt opgeroepen om te werken, dan geldt m.i.v. 1-8-2000 een
minimale arbeidsduur van drie uur. Deze drie uren moeten worden
uitbetaald, ook al wordt feitelijk minder gewerkt.
Doel Versterking
van positie van werknemers met een flexibel contract.
Wettekst:
Artikel 1614da BW.
2.5
Introductie opzeggingsverboden (ziekte, zwangerschap en bevalling,
huwelijk)
Oude
regeling
De
werkgever mag de arbeidsovereenkomst niet opzeggen gedurende het
eerste jaar van ziekte of gedurende het zwangerschaps-/bevallingsverlof
van de werknemer. Zegt de werkgever toch op, dan is de arbeidsovereenkomst
weliswaar beëindigd, maar geldt die beëindiging als 'onregelmatig'.
De werknemer kan in dat geval (enkel) een schadevergoeding vorderen
van de werkgever (of eventueel herstel van dienstbetrekking).
Nieuwe
regeling
M.i.v.
1-8-2000 is opzegging gedurende het eerste jaar van ziekte of gedurende
het zwangerschaps-/bevallingsverlof van de werknemer, alsmede opzegging
wegens het huwelijk van de werknemer, nietig. Dit betekent dat de
arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan, ondanks de opzegging. De
werkgever moet dan ook op vordering van de werknemer het loon blijven
doorbetalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd
is.
Ook
is een in de arbeidsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde
op grond waar-van de dienstbetrekking (automatisch) eindigt wegens
het in het huwelijk treden van de werknemer of wegens zwangerschap
of bevalling van de vrouwelijke werknemer, nietig. De arbeidsovereenkomst
loopt gewoon door, omdat de werkgever zich niet op zo'n ontbindende
voorwaarde kan beroepen.
Roept
de werknemer de nietigheid niet in, dan geldt de arbeidsovereenkomst
overigens wel als beëindigd. De werknemer kan alsdan nog altijd
een schadevergoeding wegens 'onregelmatige' opzegging vorderen.
Doel
Versterken
positie werknemers in geval van discriminatoir ontslag of ontslag
tijdens arbeidsongeschiktheid.
Wettekst:
Artikel 1615e, vijfde en zesde lid, en artikel 1615h, tweede en
vijfde lid, BW.
2.6
Introductie opzeggingsverbod wegens vakbondslidmaatschap cq vakbondsactiviteiten
M.i.v. 1-8-2000 kan de werkgever op straffe van nietigheid, de dienstbetrekking
niet opzeggen wegens het lidmaatschap van de werknemer van een vakbond
dan wel wegens vakbondsactiviteiten tenzij die activiteiten in de
arbeidstijd van de werknemer worden verricht en de werkgever daaraan
op redelijke gronden zijn toestemming heeft onthouden.
Wettekst:
Artikel 1615h, zesde lid BW.
3.
Kettingsystematiek in geval van kortlopende contracten
Oude
regeling
Indien
een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na afloop ervan wordt
voortgezet binnen 32 dagen, geldt de tweede arbeidsovereenkomst
als een 'voortgezette tijdelijke arbeidsovereenkomst'. Voor de beëindiging
daarvan is opzegging vereist. Zij eindigt dus niet automatisch zoals
een gewone arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Voor de opzegging
is bovendien in de meeste gevallen een ontslagvergunning vereist.
Om de opzeggingsverplichting
te omzeilen wordt de arbeidsovereenkomst in veel gevallen pas na
32 dagen voortgezet, zodat niet aan het voortzettingscriterium ('binnen
32 dagen') wordt voldaan. Ook wordt de tussenliggende periode van
32 dagen (of meer) wel opgevuld door een uitzendcontract ('draaideur'constructie).
In geen van
de gevallen bereikt de werknemer de status van 'vaste dienst', ongeacht
hoe vaak de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet.
Nieuwe
regeling
Voor
de beëindiging van een voortgezette tijdelijke arbeidsovereenkomst
is m.i.v. 1-8-2000 geen opzegging vereist, zodat óók
de voortgezette tijdelijke arbeidsovereenkomst automatisch eindigt.
Daar staat tegenover dat na een ketting van vier voortgezette tijdelijke
arbeidsovereenkomsten, waar per schakel telkens minder dan drie
maanden tussen ligt, het vierde contract automatisch een dienstverband
voor onbepaalde tijd (“vaste dienst”) wordt.
Hetzelfde geldt
als minder dan vier dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd elkaar
met tussen-pozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd
en deze samen een periode van 36 maanden (inclusief de tussenpozen)
hebben overschreden.
Ook elkaar opvolgende
dienstbetrekkingen tussen een werknemer en verschillende werkgevers,
die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten
worden elkanders opvolger te zijn (zoals bijvoorbeeld in het geval
van een draaideurconstructie of een bedrijfsovername), vallen onder
deze bepaling.
Een uitzondering
op de kettingregel geldt voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd van langer dan drie jaar, die slechts éénmalig
wordt voortgezet voor minder dan drie maanden. In zo'n geval ontstaat
geen vast dienstverband.
Indien
de werkgever na het ontstaan van het vaste dienstverband overgaat
tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, moet de opzegtermijn -
die afhankelijk is van de duur van het totale dienstverband - worden
berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste dienstbetrekking
(inclusief de eventuele tussenpozen).
Doel
Versoepelen
van het gebruik van kortlopende contracten enerzijds en bescherming
van werknemers die hiermee veelvuldig of langdurig te maken hebben
anderzijds.
Wettekst:
Artikel 1615fa BW.
4 . Arbeidsregeling 2000
4.1 Wat regelt de Arbeidsregeling 2000?
Inhoud regeling
De
Arbeidsregeling 2000 bevat regels ten aanzien van:
- werktijden, rusttijden en werkroosters
- maximale arbeidsduur per dag
- maximale arbeidsduur per week (berekend over vier weken)
- overwerk
- nachtdienst
- stand-by
dienst (consignatiedienst)
- werken
op rustdagen, zondagen en feestdagen
- De
Arbeidsregeling 2000 geeft ten aanzien van deze onderwerpen aan
wat wel en niet mag, hoe lang er gewerkt mag worden, onder welke
voorwaarden overwerk mag worden verricht etcetera.
Daarnaast
geeft de Arbeidsregeling 2000 ook regels ten aanzien van:
- arbeid
door kinderen
- gevaarlijke
en nachtarbeid door jeugdige personen (blijft gelijk aan Arbeidsregeling
1952)
- arbeid
door inwonend huishoudelijk personeel
Doel
Nieuwe
regels van arbeidstijdenrecht, die enerzijds flexibeler zijn en
anderzijds meer waarborgen bieden.
4.2
Enkele verschillen met Arbeidsregeling 1952
Groepen
werknemers
De
Arbeidsregeling 1952 kent diverse regels voor verschillende groepen
werknemers. De verschillen ontstaan door de diverse toepasselijke
Arbeidsbesluiten, zoals het Horecabesluit, het Arbeidsbesluit Casino
en dergelijke.
In
de Arbeidsregeling 2000 bestaat enkel onderscheid tussen schemawerkers
en niet-schemawerkers. Eerstgenoemden zijn werknemers waarvan de
arbeid op verschillende tijdstippen (buiten reguliere ‘kantooruren’)
moet kunnen worden verricht.
Werkroosters
Onder
de Arbeidsregeling 1952 moeten (afwijkende) werkroosters door ARSOZA
worden goedgekeurd. Bovendien was iedere afwijking van een werkrooster
overwerk, tenzij voor de wijziging vooraf goedkeuring van ARSOZA
was gevraagd.
Onder
de Arbeidsregeling 2000 hoeven werkroosters niet van tevoren door
ARSOZA te worden goedgekeurd. Werkroosters voor schemawerkers moeten
wel ter kennisgeving naar ARSOZA worden gezonden. De directeur ARSOZA
heeft de bevoegdheid bepaalde roosters te verbieden.
Incidentele
afwijkingen van het rooster zijn mogelijk, mits dit 48 uur van tevoren
aan de werknemer wordt doorgegeven.
Arbeidsduur
De
Arbeidsregeling 1952 kent een arbeidsduur van 40 uur per week, doch
voor vele werknemers geldt een langere arbeidsduur vanwege een van
de Arbeidsbesluiten. Wordt de wekelijkse arbeidsduur overschreden,
dan is er direct sprake van overwerk.
De
wekelijkse arbeidsduur onder de Arbeidsregeling 2000 is 40 uur (niet-schemawerkers)
of 45 uur (schemawerkers). De arbeidsduur voor schemawerkers is
langer omdat dit bestaande werkroosters niet of minder verstoort.
Zo worden bestaande vol-continuroosters veelal op basis van een
gemiddelde werkweek van 42 uur per week over vier weken vastgesteld.
De vaststelling
van de gewerkte uren gebeurt per vier weken, zodat met uren kan
worden ‘geschoven’ zonder dat er direct sprake is van
overwerk. De schuifmogelijkheid wordt beperkt door het maximaal
toegestane aantal uren per dag, zijnde 10 uur voor zowel schemawerkers
als niet-schemawerkers.
Vergunningen
Voor
de toepassing van niet reguliere werkroosters, voor het laten verrichten
van overwerk en voor het aanpassen/afwijken van werkroosters was
onder de Arbeidsregeling 1952 vooraf toestemming van ARSOZA vereist.
De
Arbeidsregeling 2000 kent geen toetsing vooraf. Wel kunnen werknemers
klagen over bepaalde zaken, waarna mogelijk repressief kan worden
opgetreden. Voor partijen staat tegen beslissingen van ARSOZA administratief
beroep open.
Beschermende
regels
De
Arbeidsregeling 1952 kent geen wettelijke beschermende regels voor
‘kwetsbare’ werk-nemers, zoals werknemers in nachtdienst.
Bescherming moest worden geboden via de individuele vergunningen,
waardoor geen inzichtelijk waarborgenstelsel bestond.
De
Arbeidsregeling 2000 kent speciale beschermende bepalingen voor
werknemers met nachtdienst of stand-by dienst.
Sancties
Sancties
onder de Arbeidsregeling 1952 zijn gering (de maximale boete bedraagt
NAF. 600,- per overtreding).
De
Arbeidsregeling 2000 kent modernere straffen en maakt daarbij onderscheid
tussen misdrijven en overtredingen. De maximumstraf voor misdrijven
bestaat uit een gevangenisstraf van maximaal 4 jaar en/of een boete
van maximaal NAF. 100.000,-, die voor overtredingen bestaat uit
een hechtenis van ten hoogste één jaar en/of een boete
van ten hoogste NAF. 25.000,-.
Huishoudelijk
Personeel
Voor huishoudelijk personeel zijn, onder de Arbeidsregeling 2000
in tegenstelling tot onder de Arbeidsregeling 1952, bepaalde beschermende
maatregelen opgenomen (zie onderdeel 5).
Verbod
kinderarbeid
Het
verbod van kinderarbeid geldt voor kinderen tot en met 14 jaar (Arbeidsregeling
1952: tot 14 jaar). Dit, in verband met de aanstaande inwerkingtreding
van ILO-verdrag 182 inzake de uitbanning van de ergste vormen van
kinderarbeid.
Net zoals in
de oude regeling mogen kinderen echter wel werkzaamheden die uit
de aard ervan door kinderen plegen te worden verricht of die lichamelijk
of geestelijk geen hoge eisen stellen of een gevaarlijk karakter
dragen (krantenbezorgen/inpakken van boodschappen bij supermarkets
etc.) verrichten mits deze niet plaatsvinden gedurende schooltijd
en ook niet voor 7.00 uur en na 19.00 uur.
4.3
Schemawerkers / niet-schemawerkers
Twee
groepen
In
de Arbeidsregeling 2000 wordt onderscheid gemaakt tussen schemawerkers
en niet-schemawerkers. Voor beide groepen gelden aparte regels ten
aanzien van arbeidstijden, werkroosters, etcetera. Het is dus van
belang te weten of een werknemer wel of geen schemawerker is.
Definitie
De
Arbeidsregeling 2000 verstaat onder een schemawerker: een werknemer
waarvan de reguliere werktijden (= roostertijden, dus niet: overwerk)
geheel of gedeeltelijk vallen:
·
dagelijks voor 7.00 uur ‘s ochtends of na 20.00 uur ‘s
avonds
·
op zondagen
·
op feestdagen.
Keuze
via rooster
De
werkgever kan door het vaststellen van het werkrooster in beginsel
bepalen of zijn werknemers wel of geen schemawerkers zijn. Aangezien
echter schemawerk in het algemeen ongunstiger uitpakt voor werknemers,
kunnen werknemers de Directie Arbeidszaken vragen om de toepassing
van schemawerk binnen hun bedrijf te verbieden. Indien het departement
schemawerk inderdaad verbiedt moet de werkgever de bepalingen die
gelden voor niet-schemawerkers toepassen.
Vol-continudienst
Voor schemawerkers die in een vol-continudienstrooster werken (een
rooster dat veelal met drie ploegen gedurende 24 uur per dag continue
bezetting garandeert), gelden een aantal uitzonderingsbepalingen
(zie onderdeel 4.10).
Afwijken
rooster
Afwijken
van werkroosters is toegestaan. De werkgever hoeft hiervoor niet
eerst toestemming van de Directie Arbeidszaken te hebben. Wel dient
een afwijkende werktijd tenminste 48 uur van tevoren aan de werknemer
te worden doorgegeven.
Wettekst:
Artikelen 2, lid 2, sub c en 13 Arbeidsregeling 2000.
4.4
Arbeidsduur (exclusief overwerk)
Niet-schemawerkers
De
arbeidsduur (exclusief overwerk) bedraagt maximaal 10 uur per dag
(Gewijzigd bij PB 2000 nr.172) en maximaal 40 uur per week. Deze
40 uur wordt berekend over een periode van vier weken. In een drukke
week kan zo maximaal 10 uren (5 dagen maximaal twee uur per dag)
worden doorgewerkt zonder dat er sprake is van overwerk. Voorwaarde
is dat de werkgever dat van tevoren aangeeft aan de werknemer en
de uren binnen drie weken worden ‘teruggegeven’.
Wordt
er langer dan 10 uur gewerkt, dan kan er niet meer geschoven worden
en is er sprake van overwerk. Ook als de extra uren niet of niet
tijdig worden teruggegeven, is er sprake van overwerk. Overwerk
moet extra betaald worden (zie onderdeel 4.7).
Schemawerkers
Vor
schemawerkers geldt hetzelfde als hierboven aangegeven, met dien
verstande dat voor hen de maximale arbeidsduur gemiddeld per vier
weken 45 uur bedraagt en per dag maximaal 10 uur (exclusief overwerk).
Nachtdienst
In geval van nachtdienst en stand-by dienst gelden afwijkende regels
(zie onderdelen 5.8 en 4.9).
Langere
arbeidsduur
De
directeur van de Directie Arbeidszaken kan op verzoek (van de werkgever)
voor bepaalde tijd een langere arbeidsduur vaststellen, zowel ten
aanzien van schemawerkers, als ten aanzien van niet-schemawerkers.
Wettekst:
Artikelen 8, 14 en 24 Arbeidsregeling 2000.
4.5
Werktijden en rusttijden
Niet-schemawerkers
Als
rusttijd geldt voor niet-schemawerkers:
de
tijd tussen 20.00 uur ‘s-avonds en 7.00 uur s’ochtends
twee
roostervrije dagdelen (al dan niet aaneengesloten, bijvoorbeeld
een zaterdag)
zondagen
feestdagen.
De reguliere
werktijden mogen niet binnen de rusttijd vallen. Moet men toch werken
dan moet dit werk als overwerk worden betaald.
Winkelpersoneel
Voor
winkelpersoneel kan het tijdstip van 20.00 uur later liggen indien
de officiële winkel-sluitingstijden op een ander tijdstip liggen.
Voor hen begint de rusttijd een half uur na de officiële sluitingstijd.
Schemawerkers
Voor
schemawerkers geldt een andere regeling. De rusttijden van een schemawerker
zijn als volgt:
- dagelijks
de tijd buiten de tijdstippen van aanvang en afloop van zijn arbeidstijd
volgens zijn rooster, met dien verstande dat zijn rusttijd per 24
uur (aaneengesloten) tenminste 11 uren (aaneengesloten) is. Deze
rusttijd mag éénmaal per zeven dagen worden ingekort
tot tenminste acht uren;
- de
voor de werknemer volgens zijn werkrooster geldende wekelijkse rustdag
(deze moet tenminste eens per zeven weken op een zondag vallen);
- wekelijks
tenminste éénmaal een roostervrij dagdeel voorafgaand
aan of volgend op 13.00 uur;
- per
jaar tenminste vijf feestdagen.
In
geval van nachtdienst gelden bijzondere regels (zie onderdeel 4.8).
Meldplicht
Werkroosters voor schemawerkers moeten aan de Directie Arbeidszaken
ter kennisneming worden toegezonden. De directeur van het departement
heeft de bevoegdheid in bepaalde gevallen roosters geheel of gedeeltelijk
te verbieden.
Wettekst:
Artikel 9 Arbeidsregeling 2000.
4.6
Pauze
Pauze
De arbeidstijd van een werknemer moet op elke dag waarop hij, al
dan niet bij wijze van overwerk, meer dan zes uren arbeid verricht,
na ten hoogste vijf uren arbeid worden onderbroken door een pauze
van tenminste een half uur. Een onderbreking van de arbeidstijd
van minder dan 15 minuten geldt niet als pauze. Voor werknemers
in volcontinu dienst gelden aparte regels (zie 4.10).
Doorwerken
Het
is verboden de werknemer gedurende diens pauze arbeid te laten verrichten,
anders dan bij wijze van overwerk.
Stand-by
blijven
Moet de werknemer gedurende zijn pauze beschikbaar blijven om in
geval van oproep weer aan het werk te gaan, dan is er sprake van
consignatie (zie 4.9).
Wettekst:
Artikel 10 Arbeidsregeling 2000.
4.7
Overwerk
Overwerk
Overwerk
kan ontstaan als gevolg van:
- werken
gedurende de voor de werknemer geldende rusttijd
- langer
werken dan de maximaal toegestane arbeidsduur per dag of per week.
Let
op: in het geval van een deeltijdcontract van bijvoorbeeld 20 uur
per week, is er pas sprake van overwerk indien de reguliere 40 uur
per week (of voor schemawerkers: 45 uur per week) wordt overschreden.
Dit is alleen anders indien onderling een andere afspraak is gemaakt.
Werken
als gevolg van een oproep in stand-by dienst is ook overwerk (zie
4.9).
Arbeidsduur
De
maximale arbeidsduur inclusief overwerk bedraagt voor niet-schemawerkers
ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week, met dien verstande
dat de totale arbeidsduur inclusief overwerk berekend over 13 weken
niet langer is dan 45 uur.
De maximale
arbeidsduur inclusief overwerk bedraagt voor schemawerkers ten hoogste
11 uur per dag en 55 uur per week, met dien verstande dat de totale
arbeidsduur inclusief overwerk berekend over 13 weken niet langer
is dan 50 uur. Evenals niet-schemawerkers mogen schemawerkers dus
boven hun reguliere wekelijkse arbeidsduur maximaal 10 uren overwerken,
berekend over vier weken.
Voor
nachtwerkers geldt een maximale arbeidsduur inclusief overwerk van
9 uur per dag met dien verstande dat deze niet boven de 45 uur per
week uitkomt, berekend over een periode van 13 weken (zie ook 4.8).
Compensatie
Overwerk
moet worden gecompenseerd door een toeslag op het loon van in beginsel
50%. Onderling kunnen werkgever en werknemer schriftelijk afspreken
dat overwerk niet in geld maar in time-back wordt teruggegeven (in
beginsel 1½ uur per gewerkt overuur).
Gedeeltelijke
overuren worden altijd naar boven op halve uren afgerond. Overwerk,
dat per dag korter dan 15 minuten duurt en dat géén
regelmatig karakter draagt, wordt echter niet als overwerk beschouwd.
Extra
toeslagen
In
bepaalde gevallen moet bovenop de gewone overwerktoeslag een extra
toeslag worden betaald, waardoor de totale beloning hoger wordt
dan 150% (zie het overzicht hieronder).
De
totale beloning voor niet-schemawerkers per overuur
is als volgt:
| Situatie |
Vergoeding
(incl. loon) |
| overwerk
in rusttijd |
150%
|
| overschrijding
maximale arbeidsduur (per dag of na vier weken) |
150%
|
| overwerk
op roostervrije dagdeel |
175%
|
| overwerk
op rustdag |
200%
|
| overwerk
op feestdag |
250%
|
De
totale beloning voor schemawerkers per overuur
is als volgt:
| Situatie |
Vergoeding
(incl. loon) |
| overwerk
in rusttijd |
150%
|
| overschrijding
maximale arbeidsduur (per dag of na vier weken) |
150%
|
| overwerk
op roostervrij dagdeel |
175%
|
| overwerk
op rustdag |
200%
|
| overwerk
op feestdag |
250%
|
| overwerk
in combinatie met nachtdienst |
175%
|
Voorwaarden
Indien
de werkgever de werknemer oproept overwerk te verrichten op een
voor de werknemer vrije dag, dan moeten tenminste drie overuren
worden uitbetaald.
In het geval
de arbeidsduur per dag inclusief overwerk tenminste tien uren is,
is de werkgever verplicht de werknemer een warme maaltijd of een
daartoe toereikende vergoeding te geven.
Een
opdracht tot het verrichten van overwerk wordt door de werkgever
zo vroeg mogelijk aan de werknemer gegeven. Bij het geven van een
opdracht tot overwerk dient de werkgever de belangen van de werknemer
zo veel mogelijk in acht te nemen.
Overwerk
verplicht?
De
Arbeidsregeling 2000 geeft geen antwoord op de vraag of overwerk
door een werknemer mag worden geweigerd indien geen verplichting
tot het verrichten van overwerk is overeengekomen. Deze vraag moet
in het kader van het arbeidsovereenkomstenrecht worden beantwoord.
In het algemeen geldt dat een opdracht tot overwerk niet zonder
meer mag worden geweigerd.
Wettekst:
Artikelen 14 t/m 17 Arbeidsregeling 2000.
4.8
Nachtdienst
Definitie
Er
is sprake van nachtdienst, indien een schemawerker volgens zijn
werkrooster arbeid verricht op of na 0.00 uur en vóór
6.00 uur, anders dan bij wijze van overwerk.
Arbeidsduur
De
arbeidsduur per nachtdienst, exclusief pauze, bedraagt ten hoogste
acht uren (inclusief overwerk maximaal 9 uur). Verder bedraagt de
arbeidsduur per week voor schemawerkers die nachtdienst verrichten
niet 45 maar 40 uur per week, berekend over een periode van 13 weken
(inclusief overwerk maximaal 45 uur).
Indeling
rooster
Het
werkrooster van een werknemer met nachtdienst dient aan de volgende
voorwaarden te voldoen:
de
werknemer mag in elke periode van vier weken ten hoogste 14 maal
arbeid in nacht-dienst verrichten (tenzij het specifieke nachtfuncties
betreft, zoals nachtwakers of personeel van bepaalde horeca- of
casino-aangelegenheden);
de
werknemer dient na het verrichten van arbeid in nachtdienst een
onafgebroken rust-tijd te hebben van:
a.
tenminste 12 uren indien de nachtdienst voor of op 2.00 uur eindigt;
b.
tenminste 14 uren indien de nachtdienst na 2.00 uur eindigt
de
hiervoor bedoelde rusttijd mag in een aaneengesloten periode van
zeven dagen één-maal worden bekort tot 8 uren;
de werknemer
heeft na ten hoogste zes maal achtereen arbeid in nachtdienst te
hebben verricht een onafgebroken rusttijd van tenminste 48 uren.
Wettekst:
Artikelen 12 en 14 Arbeidsregeling 2000.
4.9
Stand-by dienst (consignatie)
Definitie
Onder
consignatie wordt verstaan: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende
diensten of een pauze, waarin de werknemer verplicht is bereikbaar
te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo
spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
Bij zogenaamde
split-shifts of gebroken diensten, waarbij bijvoorbeeld ‘s
ochtends vroeg en in de namiddag moet worden gewerkt, is er dus
geen sprake van consignatie zolang de werknemer in de tussenliggende
periode niet beschikbaar hoeft te blijven.
Diverse
verboden
Het is verboden
consignatie op te leggen aan werknemers jonger dan 18 jaar.
Per vier weken
mag gedurende tenminste 14 aaneengesloten dagen geen consignatie
aan de werknemer worden opgelegd.
Ook mag geen
consignatie in combinatie met nachtdienst worden opgelegd op dezelfde
dag.
Arbeidsduur
Als
de consignatie ook de periode tussen 0.00 uur en 6.00 uur bestrijkt,
dan geldt voor schemawerkers niet de normale arbeidsduur van 45
uur, maar bedraagt de arbeidsduur over een periode van 13 weken
berekend niet meer dan 40 uur per week. Voor het overige blijft
de arbeidsduur gelijk.
De
arbeid, die voortvloeit uit de consignatie, telt overigens niet
mee voor de berekening van de totale reguliere arbeidsduur (al dan
niet inclusief overwerk) als bedoeld in de onderdelen 4.4 en 4.7.
Compensatie
Als
(te betalen) arbeidstijd geldt tijdens de consignatie de werkelijk
als gevolg van een op-roep gewerkte tijd. Echter, één
oproep of meerdere oproepen binnen een half uur worden geacht tenminste
een half uur te duren. Indien na verrichte consignatie-arbeid binnen
een half uur weer een oproep volgt, geldt die tussenliggende periode
ook als te betalen arbeidstijd.
De
arbeid, die gedurende consignatie wordt verricht, moet als overwerk
worden betaald.
Stand-by
toelage
Tenzij
anders overeengekomen bij schriftelijke overeenkomst, betaalt de
werkgever de werk-nemer aan wie consignatie is opgelegd, ongeacht
of er daadwerkelijk oproepen zijn gedaan of arbeid als gevolg van
een oproep is verricht, per dag, waarop die consignatie wordt opgelegd,
een toeslag van één procent van zijn bruto-maandloon.
Deze consignatietoeslag mag niet van de vergoeding, die moet worden
betaald als er wèl wordt gewerkt na een oproep, worden afgetrokken.
Wettekst:
Artikel 11 Arbeidsregeling 2000.
4.10
Vol-continu dienst
Definitie
Onder arbeid
in een vol-continu bedrijf wordt verstaan: arbeid, die niet uitsluitend
een ondersteunend karakter draagt, en die wordt verricht in een
onderneming waarbinnen naar de aard van het bedrijfs- of productieproces
gedurende 24 uur per dag zonder onderbreking arbeid dient te worden
verricht (bijvoorbeeld in (delen van) de gezondheidszorg of de olieraffinaderij).
Bijzondere
regels
In
afwijking van de reguliere bepalingen die voor schemawerkers gelden,
geldt voor nachtwerkers dat:
de
rustdag tenminste éénmaal per dertien weken op zondag
valt (in plaats van een keer per zeven weken);
indien
de dienst dat niet toelaat kan de pauze later dan na vijf uren arbeid
worden toe-gekend;
er
géén maximale arbeidsduur inclusief overwerk per dag
geldt;
de
arbeidsduur inclusief overwerk maximaal 60 uur per week is. De arbeidsduur
exclusief overwerk is wel gewoon 45 uur per week (in geval van nachtdienst
ook 45 uur per week).
Voor
wat betreft consignatiedienst (zie onderdeel 4.9) gelden voor schemawerkers
in vol-continudienst de 14-daagse consignatie-vrije periode, het
verbod van consignatiedienst in combinatie met nachtdienst en de
vaste consignatietoelage niet.
Wettekst:
Artikel 26 Arbeidsregeling 2000.
4.11
Administratieve verplichtingen voor de werkgever
Arbeidslijst
In
iedere onderneming behoort een arbeidslijst te worden opgehangen
op een plaats, die vrij toegankelijk is voor de betrokken werknemers.
De arbeidslijst geeft een systematisch overzicht van de verschillende
binnen de onderneming aanwezige functies en het daarbij begrote
personeelsbestand, alsmede van de binnen de onderneming gehanteerde
werktijden of werkroosters en van de binnen de onderneming geldende
rusttijden. Het model van de arbeidslijst is in beginsel gelijk
aan de arbeidslijst volgens de Arbeidsregeling 1952.
Meldplicht
Arbeidslijsten,
waarop werkroosters voor schemawerkers voorkomen, dienen onverwijld
na de vaststelling ervan door de werkgever aan de Directie Arbeidszaken
te worden toegezonden. Hetzelfde geldt voor in zulke roosters aangebrachte
structurele wijzigingen.
Incidentele
afwijking
Indien een werknemer incidenteel langer of korter moet werken dan
het rooster aangeeft (dit in verband met de schuifmogelijkheid van
werkuren: zie ook onderdeel 4.4), dan moet dit 48 uur van tevoren
aan de werknemer worden aangegeven.
Verbod
Directeur Arbeidszaken
De
directeur van de Directie Arbeidszaken is bevoegd de toepassing
van de werktijden of een werkrooster, zoals opgenomen in de arbeidslijst,
ten aanzien van een werknemer of een bepaalde groep werknemers in
een onderneming geheel of gedeeltelijk te verbieden dan wel daaromtrent
bindende aanwijzingen te geven, indien:
- hij
oordeelt dat de aard van de onderneming geen schemawerk noodzakelijk
maakt, danwel
- hem
dat met het oog op de gezondheid of het welzijn van de betreffende
werknemer of werknemers wenselijk voorkomt.
Personeelsregister
De
werkgever is verplicht op verzoek van de Directie Arbeidszaken een
personeelsregister over te leggen. Het personeelsregister bevat
de namen, geboortedata en nationaliteiten van de werknemers in de
onderneming. Van werknemers, die niet van rechtswege zijn toegelaten
in de Nederlandse Antillen, wordt het nummer en de datum van afgifte
van de verblijfsvergunning vermeld.
Overwerkregister
De
werkgever houdt een register bij van het binnen zijn onderneming
verrichte overwerk en is verplicht dit register op verzoek van de
Directie Arbeidszaken over te leggen. Het overwerkregister vermeldt
de namen van de werknemers, die overwerk hebben verricht, de data
waarop dit overwerk is verricht, alsmede de duur van het verrichte
overwerk per werknemer.
Wettekst:
Artikelen 28 t/m 30 Arbeidsregeling 2000.
4.12
Datum inwerkingtreding
Datum inwerkingtreding
was 1 augustus 2000
Wettekst:
Artikelen 37 t/m 43 Arbeidsregeling 2000.
5.
Huishoudelijk personeel
Oude
regeling
Op
huishoudelijk personeel zijn de bepalingen van de Arbeidsregeling
1952 niet van toepassing, omdat die landsverordening enkel betrekking
heeft op arbeid ‘verricht in een onderneming’. De particuliere
huishouding valt daarbuiten.
Nieuwe
regeling
In
de Arbeidsregeling 2000 (m.i.v. 1-8-2000) is een bepaling ten behoeve
van huishoudelijk personeel opgenomen, welke bepaling een aantal
normen bevat die ten aanzien van het laten verrichten van dergelijke
arbeid door de natuurlijke persoon die als werkgever optreedt in
acht moeten worden genomen.
Arbeidsduur
De
arbeidsduur bedraagt maximaal 11 uur per dag en maximaal 55 uur
per week. Meeruren moeten tegen 150% worden betaald.
Pauze
Na
ten hoogste vijf uur arbeid dient een pauze van tenminste een half
uur te worden gegund. Arbeid gedurende die pauze moet tegen 150%
worden betaald.
Rusttijden
De
tijd tussen 22.00 uur en 6.00 uur geldt als rusttijd tenzij de dienstbetrekking
uitsluitend of hoofdzakelijk ziet op een verzorging die uitsluitend
of hoofdzakelijk dient plaats te vinden binnen de vorenbedoelde
tijdstippen. Arbeid binnen die uren (de rusttijden) moet tegen 150%
worden betaald.
Per zeven dagen
heeft de werknemer recht op een rustdag. Arbeid op de rustdag moet
tegen 200% worden betaald.
Feestdagen
De
werknemer is op feestdagen vrijgesteld van arbeid met behoud van
loon. Arbeid op een feestdag moet tegen 200% worden betaald.
Minimumloon
Het
minimumloon van huishoudelijk personeel is, m.i.v. 1-8-2001 omgezet
in een minimumuurloon (zie folder minimumlonen) en zal daarna gefaseerd
worden gelijkgetrokken met het niveau van categorie I, met dien
verstande dat van dat loon de hieronder vermelde bedragen aan kost
en inwoning (inwonend personeel) of verstrekte maaltijden (uitwonend
personeel) mogen worden afgetrokken:
I.
Kost en inwoning:
a.
Naf. 300,- voor het eilandgebied Bonaire:
b.
Naf. 300,- voor het eilandgebied Curaçao;
c.
Naf. 425,- voor het eilandgebied St. Maarten;
d.
Naf. 300,- voor het eilandgebied Saba;
e.
Naf. 300,- voor het eilandgebied St. Eustatius.
II.
Een ontbijt of broodmaaltijd:
a.
Naf. 1,50 voor het eilandgebied Curaçao;
b.
Naf. 1,50 voor het eilandgebied Bonaire:
c.
Naf. 2,10 voor het eilandgebied St. Maarten;
d.
Naf. 1,50 voor het eilandgebied Saba;
e.
Naf. 1,50 voor het eilandgebied St. Eustatius.
III.
Een warme maaltijd:
a.
Naf. 5,- voor het eilandgebied Curaçao;
b.
Naf. 5,- voor het eilandgebied Bonaire:
c.
Naf. 7,- voor het eilandgebied St. Maarten;
d.
Naf. 5,- voor het eilandgebied Saba;
e.
Naf. 5,- voor het eilandgebied St. Eustatius.
Wettekst
Artikel 25 Arbeidsregeling 2000, artikel 7 lid 3 en artikel 9 lid
4 van de Landsverordening minimumlonen
|